Posts tonen met het label Kerk op Dordt. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kerk op Dordt. Alle posts tonen

maandag 24 april 2023

Opwekking


Het kan u zomaar zijn ontgaan, tweede helft februari, toen de media vol stonden met berichten over de vreselijke aardbeving in Syrië en Turkije, een jaar oorlog in Oekraïne en allerlei proefballonnetjes van politieke partijen in aanloop naar de verkiezingen van 15 maart. Maar tussen al die ellende was er ook nog verrassend goed nieuws: op de Amerikaanse universiteit Asbury in Wilmore, Kentucky, was een opwekking aan de gang. 

Op die universiteit zijn er drie keer per week bijeenkomsten die studenten én stafleden verplicht bij moeten wonen; waarschijnlijk iets in de trant van christelijke ‘dagopeningen’. Maar op woensdagochtend 8 februari gebeurde er iets bijzonders: na de bijeenkomst bleven een paar studenten nog wat langer om te bidden. En ze gingen niet meer weg; integendeel: andere studenten voegden zich bij hen. En na verloop van tijd ook anderen van buiten de universiteit, soms van heinde en ver. Een aantal weken ging de bijeenkomst door, dag en nacht, en er gebeurden allerlei opzienbarende dingen: mensen stelden de vraag wat zij moeten doen om behouden te worden, ze beleden hun zonden, er werden mensen genezen, er was eenheid, honger naar de bijbel, veel gebed en lofprijzing. Kortom: het leek wel Pinksteren. Het werd steeds drukker in Asbury. Wie niet meer in de aula paste, kon de bijeenkomst volgen op grote schermen buiten, en natuurlijk op de ‘socials’. Tot de verantwoordelijken van de universiteit het wijze besluit namen er een  er een einde aan te maken.


Mensen die ooit zijn onderwezen in de kerkgeschiedenis leerden in de regel veel meer over scheuringen in de kerk - christenen die elkaar in de Naam des Heren vervloekten,  de hersens insloegen of op de brandstapel gooiden - dan over opwekkingen. Maar ze waren er alle eeuwen door, grote en kleine. Soms gingen ze gepaard met ontsporingen en misstanden, maar er zijn ook prachtige voorbeelden van sociale hervormingen die er het gevolg van waren. Zo hoorde ik ooit het verhaal dat er problemen ontstonden in de mijnen in Wales na de opwekking aldaar; de ezels die de kolenkarretjes moesten trekken, kwamen niet meer in beweging omdat ze niet langer werden uitgevloekt en geslagen. 


We zijn onderweg naar Pinksteren; niet voor niets vaak aangeduid als het stiefkindje op de kerkelijke feestkalender. Naar Kerst en Pasen leven we uitvoerig toe in vier adventsweken respectievelijk zeven zondagen of 40 dagen ‘lijdenstijd’. En op het feest zelf halen we alles uit de kast. Maar Pinksteren: dat is het zomaar ineens; we kennen niet zo iets als een pinksteradvent. En als de Pinksterdag aanbreekt zitten veel kerkgangers op de camping; voor een deel op die in Biddinghuizen, bij de grote Pinksterconferentie van stichting Opwekking.


Een opwekking kun je niet organiseren. En meestal ook niet aan zien komen. Maar je kunt er wel naar verlangen, en er om bidden. Die zaken blijken er achteraf ook vaak aan ten grondslag te liggen: mensen die langdurig en trouw om zo’n opwekking hebben gebeden. Van Corrie ten Boom wordt verteld dat ze (ooit, of vaker) een cirkel op de grond tekende, daar in ging staan en dan bad of God een opwekking wilde geven, en die binnen de cirkel wilde beginnen. Dat verlangen wordt ook verwoord in een Johannes de Heer-lied (ook opgenomen in veel nieuwe bundels; zoek op Doorgrond mijn hart, en ken mijn weg o Heer). Daarin zingt en bidt de gemeente: 

O, heil’ge Geest, kom tot uw heerschappij. 

Schenk een herleving en begin bij mij. 


Tijdens het schrijven van deze PS dacht ik ineens: misschien gebeuren er op ons eiland wel hoopvolle dingen omdat gestorven heiligen als Wil den Hollander - het ‘bidvrouwtje’ - en Teun van der Weijden daar lang en intens voor hebben gebeden. 


Verwachtingsvol Pinksteradvent gewenst.



donderdag 8 december 2022

De Buitenwacht: dezelfde vragen, andere antwoorden

 




In een vorig nummer van dit kerkblad schreef Hans Berrevoets een artikel over De Buitenwacht. Ik ga graag in op zijn verzoek om mijn ervaringen daarmee te noteren.


De eerste keer dat ik over De Buitenwacht hoorde, was in de tijd dat ik nog in de stad Groningen woonde en werkte. Ik was daar evangelist (of: missionair werker),  ‘gestationeerd’ vanuit de IZB. Werkgebied waren een aantal ‘achterstandswijken’; voor wie de stad kent: de Oosterpark en Korrewegwijk.

Het was een periode waarin ‘oecumenicals’ (zeg maar: zij die zich thuis voelden bij het denken in de (Wereld-)raad van Kerken) en ‘evangelicals’ (degenen die zich verwant voelden met de Evangelische Alliantie) stevige debatten voerden; soms lijnrecht tegenover elkaar stonden. 

Zo gingen de wegen uiteen inzake de beoordeling van de andere religies. In mijn kast staat nog een boek met de titel No other Name?; dus met een vraagteken achter de woorden van Petrus dat er “onder de hemel geen andere naam aan de mensen [is] gegeven, waardoor wij moeten behouden worden” (Handelingen 4:12, NBG). Het grote wandkleed dat in De Buitenwacht hangt, laat zien hoe er daar over werd gedacht. Als ik die afbeelding goed interpreteer, zegt het dat alle wegen, alle godsdiensten uiteindelijk op dezelfde plaats uitkomen. 

Dat heeft ook gevolgen voor de manier waarop je je ‘missie’ formuleert en praktiseert. 

Gerrit Jan van der Kolm benadrukte meermaals dat “je pas een boodschap voor mensen hebt, als je eerst een boodschap áán mensen hebt”. Maar dat betekende voor hem niet dat De Buitenwacht, of hij persoonlijk, een boodschap zou hebben voor mensen; hij wilde juist de neiging tot het hebben en brengen van boodschappen tegengaan. 


Toen ik eind vorige eeuw zo ver was gevorderd met mijn (deeltijd-)studie dat ik een scriptie moest schrijven, besloot ik dat te doen over de kerk in kansarme of acherstandswijken. Ik beschreef vier projecten uit de beide ‘kampen’, daaronder ook De Buitenwacht. Onderdeel van dat onderzoek was een interview met Gerrit Jan van der Kolm. Ik herkende mij lang niet altijd zijn antwoorden (zoals de opvattingen hierboven genoemd). Maar veel vaker herkende ik mij wél in de vragen die hij stelde aan ‘de kerk’ en kerkmensen: “ze zijn vervreemd van de onderlaag van de maatschappij, ze laten de kansarme wijken in de steek en ze zijn vooral bezig met ‘overleven’ ’’. Zo was (en is?) het nog steeds niet ongebruikelijk om in wijken waaruit ‘onze mensen’ - de blanke middle-class kerkgangers - wegtrokken het kerkgebouw van de hand te doen en de predikantsplaats op te heffen. En volgens mij is dat nou juist níét de bedoeling van Hem die ons opdroeg alle volken tot zijn leerlingen te maken. 


De Buitenwacht is nog steeds volop actief. Maar de verbinding met de kerk is wel erg minimaal geworden. Behalve de glas-in-loodramen aan de voorkant van het gebouw en het eerder genoemde wandkleed herinnert weinig meer aan het feit dat het drie theologen waren die eertijds De Buitenwacht van de grond tilden.

Tegelijkertijd zijn er in de afgelopen decennia tal van initiatieven geweest van kerkelijke gemeenten die betrokken wilden zijn op hun buurt; het voorbeeld van De Buitenwacht heeft daar waarschijnlijk ook een rol in gespeeld. Toen de PKN ontstond, is er in ieder geval één heel verstandig besluit genomen: er werd meer bezuinigd op allerlei zaken dan nodig, om zodoende ruimte te maken voor nieuwe initiatieven. Daaronder ook de totstandkoming van pioniersplekken: projecten om met andere vormen mensen te bereiken dan er (nog) in de kerk kwamen en komen. Rond de Petruskapel kwam zo’n pioniersplek, Staartlicht. Hopelijk betekent dat niet alleen dat het gebouw intensiever wordt gebruikt, maar heeft het ook betekenis voor de wijkgemeente aldaar. Toen ik er vorige maand mocht voorgaan, heb ik het gehad over de opdracht voor Gods volk om vrede/bloei te zoeken voor de stad, maar deze keer vooral ook over de belofte die daaraan verbonden is: “Want als het goed gaat met Babel [de stad, de Staart], dan gaat het ook goed met jullie!” (Jeremia 29:6, BGT). 

En om nog een recenter voorbeeld te noemen: de Gereformeerde Gemeente in de Julianakerk gaat van haar pastorie een inloophuis maken! 


Wim Aanen


NB

De genoemde scriptie over Missionaire presentie in kansarme stadswijken  - waar de citaten in dit verhaal uitkomen - is digitaal gratis beschikbaar voor belangstellenden. Stuur daarvoor een mailtje naar j.w.aanen@solconmail.nl. 

dinsdag 26 januari 2021

Sorry ……..


Child labour in the fashion supply chain


Tussen alle terugblikken en lijstjes die in de laatste week van 2020 langskwamen in de media bevond zich ook de ‘Sorrylijst’: een overzicht van - min of meer - geruchtmakende excuses voor gemaakte fouten. Daaronder minister Grappernaus over zijn huwelijksdag, BN-er Famke Louise over de uitspraak dat ze niet langer meedeed aan het opvolgen van de coronaregels en de koning over zijn 1-daagse vakantie in Griekenland. Maar op de lijst staan ook grotere dingen, excuses namens ons allemaal: dezelfde koning over onze rol als kolonisator in Indonesië en ‘de kerk’ over de passieve houding ten aanzien van de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog. (Wie zich afvraagt of dat wel kan, schuld belijden voor iets wat gebeurde in een tijd dat je zelf nog niet geboren was, doet er goed aan na te lezen hoe Daniel, zelf een voorbeeld van oprechte vroomheid en toewijding aan God, schuld beleed voor de afval van het volk; zie Dan. 9).


Schuld belijden, excuses aanbieden - beter: vergeving vragen - over fouten die in het verleden zijn gemaakt, is belangrijk. Maar nóg belangrijker lijkt het me om na te denken over de vraag welke dingen we nu doen - of laten gebeuren - waarvoor we later schuld moeten belijden, sorry moeten zeggen. Twee voorbeelden. 


Linda Polman schreef een boek met de titel Niemand wil ze hebben. Die titel is gebaseerd op een triomfantelijke kop in een Duitse krant in juli 1938. In het Franse kuuroord Evian werd een internationale conferentie gehouden over de vraag wat men aan moest met het grote aantal joden dat weg wilde uit nazi-Duitsland. Dit was dus de conclusie: Keiner will sie haben. Joden op de vlucht zijn nergens welkom.  

In haar boek laat Linda Polman zien dat de argumenten die destijds werden gebruikt om joden te weren precies dezelfde zijn als nu worden aangevoerd om duizenden vluchtelingen aan de randen van Europa (Moria op Lesbos is maar één van de vele kampen) én in de rest van de wereld te laten creperen: gevaar voor de nationale veiligheid, de vluchtelingen hebben andere normen en waarden, ze pikken ‘onze’ banen in, enzovoort. Op 4 mei j.l. werden in Amsterdam twee indrukwekkende toespraken gehouden, maar toen het later in het jaar over de kinderen van Lesbos ging, was het besluit toch dat we ze niet wilden hebben. 


Het tweede voorbeeld is de slavernij. Mede door de Black lives matter-protesten is in het afgelopen jaar bij velen het besef doorgedrongen dat er alle reden is ‘sorry’ te zeggen tegen de nakomelingen van 'tot slaaf gemaakten'. En om na te denken over de vraag of er nog wat recht gezet moet worden. Op de Amsterdamse grachtengordel, maar bijvoorbeeld ook in Vlissingen, zijn prachtige panden gebouwd met geld dat is verdiend met de slavenhandel. We beschouwen dat nu als een grof schandaal, maar ondertussen is er wereldwijd nog steeds sprake van slavernij, en het is een hele kunst om er niet ook van te profiteren. 

In het materiaal voor de Micha-zondag van afgelopen jaar, met slavernij als thema, stond ook een schuldbelijdenis. Daarin wordt - met de wat vlakke woorden ‘het spijt me’ - vergeving gevraagd voor de pakjesbezorger die geen tijd meer heeft voor zijn gezin, de arbeidsmigrant die met zestien anderen in een flatje is gepropt, het kind dat de coltan uit mijn smartphone opgroef, de moeder die om middernacht mijn t-shirt naaide, de vader die mijn koffiebonen plukte en al een jaar niet naar huis mag en  de arbeider die het gif inademde van de verf op ons speelgoed. Wie geen slaven in dienst heeft, mag zijn vinger opsteken. 


Wie zijn overtredingen (…) belijdt én nalaat, zal barmhartigheid verkrijgen (Spreuken 28:13). 



maandag 7 september 2020

De Filistijn, de Tyriër, de Moren

                       

Op internet staat een aandoenlijk youtube-filmpje: een zwarte jongen met een Hollandse naam bespeelt in een duidelijk Hollandse woonkamer een Hammondorgel. Als hij de melodie van Psalm 87 speelt, doet hij dat op ‘hele noten’. Onder het filmpje ook een regel uit deze psalm (in de berijming van 1773, vers 3): De Filistijn, de Tyriër, de Moren…. 

Ik vermoed dat deze psalm heel vaak gezongen is in diensten waarin geadopteerde kinderen werden gedoopt: wat mooi dat ook zij, zwarte en gele kindertjes, bij God én bij ons mogen horen, in Israël worden ingelijfd. Want Israël associeerden we toch vaak met ‘ons’, de kerk, het volk van God. Zendingsverhalen droegen iets vergelijkbaars uit: dappere blanke man trekt het oerwoud in en onder de klapperboom vertelt hij de gekleurde medemens - veelal aangeduid als negers - over de Here Jezus.

Vooral de vermelding van de Moren droeg aan deze beeldvorming bij: die kenden we uit een kinderliedje over ‘Moriaantje’, die - net als Zwarte Piet - zo zwart was als roet. En natuurlijk uit de geschiedenis van de ‘kamerling uit Morenland’ (in de meeste nieuwere vertalingen wordt die, zeer terecht, aangeduid als een eunuch uit Ethiopië).


Wij, witte christenen in Nederland, doen er goed aan om een aantal dingen voor ogen te houden. Om te beginnen dat wij tot dezelfde ‘categorie’ behoren als de Filistijnen, de Tyriërs én de ‘Moren’. En dat deze volkeren zelfs veel eerder werden bereikt met het evangelie dan onze Germaanse voorouders. Dat geldt sowieso voor de buurvolkeren van Israel, de Filistijnen en de bevolking van Tyrus. Maar ook de kerk in Ethiopië was er al lang - vanaf het begin van de 4e eeuw - toen Bonifatius, rond het jaar 700, in Nederland arriveerde. Dus wie wordt nou bij wie ingelijfd?


Verder goed te bedenken dat de secularisatie in Nederland er vooral is door witte mensen die de kerk vaarwel zeggen, maar dat die stevig geremd wordt door christen-migranten. De precieze aantallen zijn moeilijk te berekenen, maar hun aantal wordt geschat op een miljoen; ongeveer net zoveel als er moslims zijn in Nederland.


Na de gewelddadige dood van George Floyd ontstond er wereldwijd een protestbeweging: Black lives matter, zwarte levens doen er toe. Dat zal in de kerk waarschijnlijk niemand ontkennen, maar het is wel goed te beseffen dat christenen de nodige boter op het hoofd hebben als het gaat om onze zwarte medemens; denk alleen al aan de rol van ons calvinistische land in de slavenhandel. Maar zwarte mensen kunnen ook heel erg gekwetst worden door goedbedoelde opmerkingen. Weet dus hoe zij het gebruik van het ’n-woord’ ervaren, naar Zwarte Piet kijken en zich misschien ook wel ergeren aan de woorden uit het lied Jeruzalem mijn vaderstad (Liedboek 265 resp. 737). Daar gaat het in vers 19 over 'de negers met hun loftrompet’. Willem Barnard, de dichter van het lied, heeft daar ongetwijfeld alleen maar iets heel positiefs mee bedoeld, zoals Godfried Bomans met de beste bedoelingen het ‘negertje Flop’ ten tonele voerde in de Pa Pinkelman boeken, en we allemaal zonder enig racistisch motief Sinterklaas lieten assisteren door een zwarte Piet. Je kunt betogen dat zwarte mensen dat maar moeten begrijpen en aanvaarden. Maar misschien moeten we ons dan eerst eens verdiepen in de gevoelens van de nakomelingen van de ‘tot slaaf gemaakten’; de serie Geboeid kan daar bij helpen. 


In Dordrecht mogen we ons verheugen over de aanwezigheid van Wiebe van Horssen van Missie Dordt; naast veel andere zaken die hij oppakt is hij ook betrokken bij het programma Reversed Mission (lees het projectplan). Het kan ons helpen wat meer zicht te krijgen op de breedte van Gods kerk, ook in Dordt.  


Geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 11,  nummer x  d.d. xxx 2020

zaterdag 2 maart 2019

Hackaton


Het zou zomaar kunnen dat u geen idee hebt wat dat is: een hackaton. Geneer u niet; ik wist het ook niet, totdat ik afgelopen najaar een uitnodiging kreeg om eraan deel te nemen. Om precies te zijn: een hackaton over Armoede en Schulden, georganiseerd door een aantal trainees van de Sociale Dienst Drechtsteden. Volgens een simpele definitie is een hackaton een “event waarin studenten of specialisten hun slimme hoofden bij elkaar steken om binnen korte, vastgestelde tijd een bepaald probleem op te lossen”. Alleen al het feit dat de organisatoren dachten dat ik zo’n slim hoofd heb, was genoeg reden om me aan te melden. 

Nu had ik net het prachtige boek van Japke-d. Bouma gelezen, Ga lekker zélf in je kracht staan; over de “ergste clichés op kantoor”. Zoals daar zijn: staand vergaderen, de flexplek, de customer journey, de start-up en agile werken (onbekende woorden graag zelf even opzoeken; de mij toegemeten 600 woorden zijn zomaar op). En dat had me behoorlijk wantrouwig gemaakt, alleen al vanwege de aanduiding van de bijeenkomst. 
Maar het viel mee; met mensen die op heel verschillende manieren met armoede en schulden te maken hebben, dachten we een lange middag in groepen na over manieren om te voorkomen dat mensen in de schulden komen en, als dat toch is gebeurd, over het wegnemen van obstakels in het proces van schuldhulpverlening. En daar kwamen hele zinnige ideeën uit (die mochten we pitchen; dat betekent: kort presenteren).

‘Hackatonnen’; dat zouden we in de kerk ook eens moeten doen, lijkt me. Want net als in de schuldhulpverlening, de zorg en het onderwijs, is ook de kerk vergeven van van de regeltjes en tradities (met een kleine t) die haar functioneren behoorlijk in de weg staan, zeker in een tijd van kerkverlating en groeiende financiële zorgen. Regels soms die ooit om begrijpelijke, maar soms ook om heel onduidelijke of aanvechtbare motieven zijn ingevoerd. En die haar dus verhinderen dat te doen waartoe zij op aarde is: zout en licht zijn.
Dat kán verassende, maar misschien ook wel pijnlijke uitkomsten opleveren; vooral als tijdens de hackaton de bijbel opengaat. 

Zo zou het interessant zijn om eens een hackaton te wagen aan de enorme last van gebouwen in het licht van het gegeven dat de Allerhoogste niet (meer) woont in wat men met mensenhanden is gemaakt’ (Hand. 7:48, 17:24) en het kerkgebouw dus niet, zoals de tempel, een ‘huis van God’ is. Of over de predikant, die in geen enkele lijst met gaven en bedieningen voorkomt (alleen de rondreizend prediker is zijn loon - bad, brood en bed - waard, Mt. 10:10). Het kan ook over de samenkomst van de gemeente gaan, waarin ‘ieder iets’ heeft; dat lijkt in 1 Kor. 14 toch echt over meer te gaan dan de koster die ‘kostert, de organist die speelt en het gemeentelid dat de schriftlezing doet. En met ‘sacramentsbevoegdheid’ tenslotte, leek men in de vroege kerk ook heel anders om te gaan dan bij ons; Jezus preekte bijvoorbeeld zelf, maar liet het dopen aan zijn nog-niet-afgestudeerde leerlingen over (Joh. 4:2). Boze tongen beweren zelfs dat de regel dat je predikant moet zijn om te mogen dopen of het Avondmaal te bedienen méér te maken heeft met de geclaimde beroepsbescherming van predikanten dan met de bijbelse gegevens.

Gelukkig is er in de nodige dossiers wel wat in beweging in ‘onze’ PKN. Weliswaar nog nog niet met hackatons, maar met commissies en uitvoerige rapporten en lange classis- en synodevergaderingen. Maar het besef dat men terug moet naar de basis, vanwege een krimpende kerk, maar hopelijk ook vanwege het besef dat al te vaak menselijke instellingen de komst van het Koninkrijk in de weg hebben gestaan, lijkt er te zijn. 

Geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 10,  nummer 5  d.d. 1 maart 2019


vrijdag 17 augustus 2018

Na ons de zondvloed....?!

Johan Huibers is een BCN-er; een - min of meer - Bekende Christelijke Nederlander. Hij was namelijk de man die twee keer de ark van Noach nabouwde; eerst op halve, daarna op ware grootte. Die laatste boot lag lange tijd in Dordrecht. Een orthodox christen dus, iemand die de bijbel letterlijk wil nemen en de bijbelse boodschap ook met anderen wil delen. 

Met zo iemand zou ik me erg verwant moeten voelen. Dat dat toch niet zo lukt, heeft te maken met zijn antwoord (in het Nederlands Dagblad van 14 juli j.l.). 
op de vraag ‘Wat moet er hoognodig aan uw gedrag veranderen om de aarde duurzamer te maken, en gaat u dat ook doen?’ Het antwoord van Huibers, kort samengevat: niks, en dus: nee. En hij noemt daarvoor twee argumenten: het helpt niet en het hoeft niet, want we leven in de eindtijd. Na ons de zondvloed!*

Voor dat eerste argument gebruikt hij een redenering die je veel hoort: er zijn altijd oorzaken voor de opwarming van de aarde die een grotere invloed hebben dan die waaraan ik bijdraag, en zolang dat zo is hoef ik mijn gedrag niet aan te passen. Huibers vliegt en rijdt dus gewoon door, omdat de smeltende toendra’s en veenbranden in Indonesië nog meer CO2 uitstoot veroorzaken. 
Ondertussen hoor ik hem niet zeggen dat abortus minder doden tot gevolg heeft dan kindersterfte door ziekten en honger in ontwikkelingslanden, dus dat we ons om de abortussen niet druk hoeven te maken. 

Maar Huibers vervolgt dan: ‘De noordpool smelt; dat doet God. In Jesaja staat al: de hemellichamen zullen wankelen, de aarde zal tollen als een dronkeman. We zijn er bijna, we leven in de eindtijd. Dat ga ik nog meemaken, zeker weten.’ In het denken van Huibers (en, helaas, veel christenen met hem) speelt de huidige aarde, de schepping van God, geen rol meer; er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, en de oude aarde verdwijnt in de verbrandingsoven. 
Maar dan zou het goed zijn als uitgerekend Huibers nog eens wat verder zou lezen over de zondvloed. Die wordt ook genoemd in 2 Petrus 3; daar wordt van de ‘toenmalige wereld’ gezegd dat die ‘vergaan is toen ze door het water werd overspoeld’ (vers 6).  Het staat er niet nadrukkelijk bij, maar voor zover ik weet heeft nog niemand ooit beweerd dat wat onder het water van de vloed vandaan kwam een spiksplinternieuwe aarde was. Het was de goede, de zeer goede schepping van God, gereinigd, gelouterd van alles wat niet naar de bedoeling van de Schepper was. Zou je dan het vergaan van de aarde door vuur ook niet zo moeten uitleggen: dat het vuur niet vernietigt, maar loutert. 

Seculiere milieuactivisten benadrukken dat we ‘geen planeet B’ hebben (en daarom dus heel zuinig moeten zijn op deze). Christenen hebben een heel andere toekomstverwachting, maar er zijn ook voldoende overeenkomsten  om samen op te trekken in de strijd tegen de vervuiling en opwarming; om te gaan voor duurzaamheid. Want als ik de bijbel goed begrijp is er inderdaad geen planeet B: óók voor onze planeet A geldt dat God die helemaal nieuw maakt.
In Romeinen 8 schrijft Paulus wat er is gebeurd met de schepping waardoor die nu ‘als in barensweeën zucht en lijdt’: ze is meegesleurd in de val van de mens. Maar ze ‘zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en (...) delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt’ (zie vers 19-22).  

Tot het zover is, blijft de opdracht om deze aarde, planeet A, niet alleen te bewerken maar ook de bewaren, onverminderd van kracht. 

Geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 9,  nummer 16  d.d. 17 augustus 2018

* In het ND van 1 februari 2019 schrijft Michel van der Hoiek over een 'evangelische christen' in Amerika die bewust niet aan afvalscheiding doet, want 'als het milieu daadwerkelijk verpest is, dan komt Jezus terug'. 




vrijdag 19 januari 2018

Religiestress

De kwaal waart al veel langer rond in Nederland (en niet alleen daar), maar eind vorig jaar was er een vrij serieuze uitbraak in Rotterdam. Daar wilden Leefbaar Rotterdam en de VVD dat ‘religieuze groeperingen’ niet langer samen zouden mogen komen in buurtcentra. Want: scheiding tussen kerk en staat. Toen het op een stemming aankwam, bleken alleen deze twee partijden voor de maatregel te zijn, dus daar is de kou even uit de lucht. 

Het zou ook wel heel vreemd geweest zijn als juist in Rotterdam deze maatregel was doorgevoerd. Tijdens het onderzoek naar internationale kerken dat een paar jaar gelden in Dordt is uitgevoerd, werd Rotterdam juist vaak als lichtend voorbeeld genoemd. De organisatie SKIN (Samen Kerk in Nederland) schreef een tweetal rapporten waarin werd aangetoond hoe belangrijk die gemeenschappen zijn voor de multiculturele samenleving. Raadslid Setkin Sies (CU/SGP, indiener van de motie die de uitbraak van religiestress in Rotterdam indamde) betoogde dan ook: “Migrantenkerken zijn vaak goede voorbeelden van de door de overheid bepleite participatiesamenleving. Leden van die kerken komen bij elkaar om God te zoeken, van elkaar te leren, maar ook voor elkaar te zorgen. Vrijwilligerswerk bespaart de overheid jaarlijks vele miljoenen.” 
Het Rotterdamse stadsbestuur leek daar van doordrongen, maar kwam toch met dit voorstel; een voorstel dat inmiddels dus is afgestemd. 

Maar ondertussen is het virus wel met een gure noordwestenwind overgewaaid naar ons goede eiland. Want bij de komende gemeenteraadsverkiezingen op 21 maart kunnen we niet meer stemmen in drie ‘religieuze gebouwen’: de Maranathakerk, de Open Hof (van de Nederlands gereformeerden) en het gebouw van de Evangelische Gemeente Jozua. Eerder werden er al andere kerken én een moskee van de lijst geschrapt. Juni vorig jaar werd een voorstel in deze richting van Beter voor Dordt nog met royale cijfers weggestemd, maar nu is het besluit toch genomen. 
Frappant is dat er drie kerkgebouwen wel op de lijst met stemlokalen zijn blijven staan omdat er geen alternatief in de buurt is; dat heet opportunisme (“... handelen zonder rekening te houden met principes, alleen met de omstandigheden”).

Wie de actualiteit een beetje bijhoudt, kan vermoeden wat er echt aan de hand is. Sommige partijen voelen de hete adem in de nek van de uitgesproken anti-Islampartij PVV; die gaat zowel in Rotterdam als in Dordrecht mee doen aan de verkiezingen. Daarom is het voor 
anderen van belang te laten zien dat ze ook heus wel oog hebben voor de islamisering van ons land, en dat ook niet allemaal zomaar willen laten gebeuren.  Het gaat niet om de kerken, het gaat erom dat er misschien - zoals al eerder gebeurde - ook in een moskee gestemd kan worden. Maar dat kun je niet hardop zeggen, dus daarom moet het maar onder de noemer ‘religieuze groeperingen’. 

Ik denk dat partijen die de islam willen bestrijden door scheldpartijen, maar ook door maatregelen als deze, het paard achter de wagen spannen. Kort geleden kwam ik de bekende uitspraak van kerkvader Tertullianus (ca. 160 - 220) weer tegen; populair weergegeven: het bloed der martelaren is het zaad der kerk. Dat geldt waarschijnlijk ook voor moslims. Zij worden in ons land weliswaar niet bloedig vervolgd, maar ook zij zullen méér vastberaden hun geloof aanhangen naarmate zij zich meer buitengesloten voelen. Met andere woorden: de beste manier om de Islam te bestrijden is het - uiteraard binnen de wettelijke kaders - alle ruimte te geven. 
Voor kerken heeft dat ook uitstekend gewerkt; tegenover een vervolgde, maar stevige en groeiende kerk op het zuidelijk halfrond staat - gechargeerd - een verwaterde, leeglopende kerk in het vrije westen. 

Wat dunkt u: zullen we, nu het nog net kan,  op 21 maart allemaal in een religieus gebouw gaan stemmen, op een partij die niet aan religiestress lijdt?

Geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 9,  nummer 2  d.d. 19 januari 2018

dinsdag 24 oktober 2017

Diaconale dilemma’s

Arme mensen moet je helpen: hongerigen voeden, dorstigen te drinken geven, vreemdelingen huisvesten, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken. Jezus noemt deze zes werken van barmhartigheid  (in Mt. 25:31-46), en ‘Rome' voegde er nog een zevende aan toe: de doden begraven. Overduidelijk wat Jezus van zijn volgelingen verwacht. Maar soms is de toepassing wat lastiger. Diakenen, diaconieën en anderen die goed willen doen staan wel eens voor een dilemma. Ik noem er drie, in de hoop dat u mee wilt denken.

1. werkvakanties
U kent het concept: jongeren sparen een flink bedrag, al dan niet via sponsoring, en doen voor dat geld mee aan een diaconale werkvakanties. Ze gaan in een ver land bijvoorbeeld helpen om een schooltje te bouwen. Prachtig natuurlijk: dat er nog jongeren zijn die niet kiezen voor een strandvakantie maar zich in hun vrije tijd op deze manier inzetten voor hun naaste. Maar de afgelopen maand hoorde ik een directeur van een christelijke hulporganisatie die hier vraagtekens bij zette: wat doet het met het zelf respect van de mensen die op deze manier geholpen worden als er een groep middelbare scholieren voor hen een school of kerk komt bouwen. En hoe economisch is het; zou de klus niet veel beter en goedkoper geklaard kunnen worden als het geld van de reizen naar het land toe was gegaan en de mensen zelf het gebouw hadden neergezet. 
Er is wel een belangrijk tegenargument: jongeren komen anders terug van zo’n reis. Ze beschouwen onze welvaart niet meer als vanzelfsprekend en krijgen ook oog voor de nood in hun eigen stad. Dus een confrontatie met echte armoede is een goed ding. Maar misschien kan dat ook anders dan via een werkvakantie. 

2. hulpgoederen versturen
De dag nadat er een orkaan over de Antillen was geraasd, kwam er een Antilliaanse Rotterdammer - of Rotterdamse Antilliaan - in het nieuws die bezig was hulpgoederen te verzamelen om die naar de getroffen eilanden te versturen. Alles was welkom!  
Nu kan zo’n actie nuttig zijn als noodhulp, als er helemaal niks meer is of werkt in een rampgebied. Maar een ‘arm land’ waar wel (weer) het een en ander te koop is,  is natuurlijk veel beter geholpen met hulpgoederen die in het land zelf worden gekocht. Het scheelt een hoop verzendkosten, maar bovendien snijdt het mes dan aan twee kanten: de plaatselijke economie wordt gestimuleerd en dus helpt de hulpactie om het land weer, of méér, op eigen benen te laten staan. En dus om het moment aan te laten breken dat de hulp niet meer nodig is.   
Goederen inzamelen en (misschien wel zelf) wegbrengen is wellicht veel bevredigender voor de westerse ‘hulpverlener’; lekker concreet. En daarom levert het misschien ook wel meer op. Maar misschien zou de vraag waarmee ‘de ander’ het meest gebaat is toch voorop moeten staan. 

3. hongerigen voeden
De Voedselbank hanteert strenge criteria: méér leefgeld dan een heel klein beetje: dan geen voedselpakket. Anderen - zoals Broodnodig van de Dordtse Evangelisatie, het DAC en het inloophuis van De Hoop, - delen hun voedsel uit zonder te vragen naar het bestedingspatroon van de mensen die zich melden. Dagelijks Brood - óók DE - zit daar tussen in: die baseert zich op de diaken of hulpverlener die de persoon of het gezin aanmeldt. Maar wat als die een fors deel van het schamele inkomen van de hulpvrager besteed wordt aan sigaretten, alcohol of andere drugs? Of aan een duur telefoonabonnement. Of wat als de hulpvrager vindt dat de auto perse moet blijven, terwijl die niet echt nodig is. Van al die dingen kun je nog zeggen dat die persoon dat voor zichzelf doet. Maar het wordt al lastiger als hij of zij zich geroepen weet voor een stuk of 10 zwerfhonden of -katten te zorgen, en daardoor zichzelf tekort doet. En helemaal ingewikkeld wordt het als de hulpvrager maandelijks een bedrag overmaakt aan zijn familie, die in een ver Afrikaans land in armoede leeft. 

Dilemma’s: wie het weet mag het zeggen. 

Geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 8,  nummer 20  d.d. 20 oktober 2017

donderdag 7 september 2017

Waar bleef Jesaja 53?



Maar Hij is om onze overtredingen verwond,
om onze ongerechtigheden verbrijzeld.
De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem,
en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.
Jesaja 53:5 (HSV)

Eerst kreeg ik van iemand een link naar een youtube-filmpje waarin een jonge, messias-belijdende jood zijn landgenoten attent maakte op het feit dat in het leesrooster van de synagoge Jesaja 53 was verdwenen. Zeer aanvechtbaar, maar vanuit joods gezichtspunt wel te begrijpen.
Maar recent ontdekte ik dat er nota bene in het nieuwe Dienstboek van onze eigen PKN het “Rooster van lezingen bij het dagelijks gebed” het hoofdstuk ook ontbreekt; in de vierde week na Epifanie springt het van Jes. 52:1-12 op dinsdag naar 54:1-13 op woensdag.
En nu vraag ik me maar steeds af wat daarvan de reden kan zijn. Heeft de persoon die het rooster samenstelde even zitten suffen? Is het dezelfde eerbied voor het joodse volk, die ons in de kerk ook deed besluiten de naam waarmee God zich bekend maakte aan Mozes, Jahweh, niet te schrijven en uit te spreken? Of zit er toch iets anders achter: leeft  misschien de ergernis over het kruis óók in de kerk? Paulus schrijft er over in 1 Kor. 1: de gekruisigde Christus is voor Joden aanstootgevend, voor heidenen een dwaasheid. Maar in de kerk leven we ervan: het is Gods kracht en wijsheid.

Want Jesaja 53 gaat wel ergens over. Filippus gebruikt het als uitgangspunt om aan de eunuch uit Ethiopië Jezus te verkondigen (Handelingen 8:26-40).  Ongetwijfeld heeft hij daarbij óók verteld van de vreselijke lijdensweg die Jezus moest gaan, en dat daarin de schriften werden vervuld. Hij heeft met de eunuch gesproken over de offerdienst van zijn volk, en over plaatsvervanging: hoe Jezus als het Lam van God dat het definitieve offer bracht aan het kruis, om te betalen voor de schuld van mensen. Oók voor heidenen, zelfs voor gecastreerde heidenen: toen de eunuch was gedoopt en vol blijdschap zijn weg vervolgde, heeft hij misschien verder gelezen in de boekrol die hij had gekocht. Dan is zijn blijdschap alleen maar groter geworden toen hij een paar hoofdstukken verder de geweldige beloften las voor mensen als hij (zie Jesaja 56: 3-5).


Als u dit kerkblad ontvangt, is in de ene wijkgemeente de eerste lijdenszondag al achter de rug, maar zijn in de andere eveneens de 40-dagen voor Pasen begonnen. We mogen ons allemaal opnieuw verwonderen over het grote wonder van Gods barmhartigheid in Jezus Christus; laat u dat niet afpakken.

Geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 8,  nummer 5  d.d. 3 maart 2017

donderdag 8 december 2016

Ten slotte: de Zoon

Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe .... (Matteüs 21:37a) 



Kerst, de komst van de Zoon van God naar deze wereld, komt niet uit de lucht vallen. Daar is heel wat aan voorafgegaan. Jezus vat het samen in de de eerste vier verzen van de gelijkenis. 
De toepassing is duidelijk: God de Vader schept een wereld die ‘zeer goed’ is, compleet ook, en geeft die in gebruik aan zijn schepselen. Daarbij worden afspraken gemaakt: de mensen mag die wereld bebouwen, hij mag ervan eten en genieten; maar hij heeft wel de opdracht  om die ook te bewaren of bewaken (Genesis 2:15). En daar gaat het mis. 
De gelijkenis van Jezus doet denken aan het begin van Jesaja 5, het lied van de wijngaard. Daar is het verwijt aan het volk Israel dat de vruchten van de wijngaard wrang zijn: geen recht maar onrecht, geen ‘rechtsbetrachtig’ maar ‘rechtsverkrachting’ (vs. 7b). 

Maar dan het onvoorstelbare: na twee groepen knechten die komen om de afgesproken pacht op te halen, maar die worden mishandeld of zelfs gedood - beeld van de profeten in het Oude Testament, de eerste groep wellicht van vóór de ballingschap, de tweede van erna - stuurt de landheer zijn zoon. Ontzettend naïef, zo lijkt het: “Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe, met de gedachte: Voor mijn zoon zullen ze wel ontzag hebben.” 
Niet dus: ook de zoon wordt gedood. Buiten de wijngaard; Jezus vertelt de gelijkenis net na zijn intocht in Jeruzalem, dus vlak vóór Hij zelf buiten Jeruzalem zal worden gekruisigd. 

Een naïeve landheer, een naïeve God? Toch niet: door heel het Nieuwe Testament wordt duidelijk dat aan deze beslissing van de Vader geen naïviteit ten grondslag ligt, maar liefde, onmetelijke liefde. 
Marcus (12:1 vv.) en Lucas (20:9 vv.) vertellen de gelijkenis ook; daar wordt de uitdrukking ‘geliefde zoon’ gebruikt.  Het zijn woorden die tweemaal vanuit de hemel klinken om Jezus aan te duiden, eerst direct na zijn doop (Mt. 3:17) en later bij de verheerlijken op de berg (Mt. 17:5): “Dit is mijn gelieve Zoon, in hem vind ik vreugde.” Deze geliefde Zoon offert de vader op, om zo de achterstallige pacht te voldoen. Aan het kruis!

“Er straalt geen zacht ligt om de kribbe. De vleeswording des Woords betekent, dat nu het uur van de laatste beslissing geslagen heeft. Dit is Gods laatste aanbod” (Dr. A. van Haarlem); zie het vervolg van Mt. 21. Maar dat aanbod is er wel; God stelt de komst van het oordeel uit, omdat Hij redding wil, voor al zijn schepselen. Deze Kerst is een nieuwe kans om dat genadige aanbod te aanvaarden. 

Geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 7,  nummer 24  d.d. 16 december 2016

vrijdag 4 november 2016

Het conciliair proces en Micha


Ik hoorde het zowel van leden van een evangelische gemeente als van een bevindeljk-gereformeerde kerk (voor wie dat laatste een onbekende term is: die noemden we vroeger zwartekousenkerken. Maar dat is een stigmatiserend woord en bovendien is het aantal zwartekousendragers in deze kerken drastisch afgenomen). Evangelisch én bevindelijk gereformeerden dus. Ik doel op de reactie die de genoemde gemeenteleden kregen in hun eigen kerk als ze de suggestie deden dat  de grote wereldvragen - over het milieu, de verdeling tussen rijk en arm, oorlog en vrede, vluchtelingen enz. - wel degelijk ook in de kerk thuishoren. Zij kregen niet zelden van voorgangers of andere gemeenteleden te horen dat dat onderwerpen zijn waar de vrijzinnigen zich mee bezig houden, of dat het tot vrijzinnigheid leidt als je daarmee de aan de gang gaat. 

Misschien is die reactie niet zo verwonderlijk. Vooral in evangelische gemeenten komen de leden voor een belangrijk deel uit andere kerken (in de Vrije Baptistengemeente Bethel in Drachten, voorganger Orlando Bottenbley, was dat medio 2005 94%; 33,7% was eerst Gereformeerd (synodaal) en 11,4% Hervormd). En deze mensen zijn veelal hun eigen kerk ‘ontvlucht’ omdat de eerder genoemde thema’s zozeer de agenda gingen bepalen, ten koste van ‘de ziel en de zaligheid’, dat ze het er niet langer uithielden. Want waarom zou je op zondagmorgen vroeg je bed uitkomen om nog een keer een samenvatting te krijgen van wat de afgelopen week al in de krant stond, met een nogal eenzijdig ‘links’ commentaar van de voorganger erbij: wel oog voor de misstanden in Zuid Afrika en de Verenigde Staten, maar niet voor die in de communistische landen. Het ‘conciliair proces voor gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping’, geïnitieerd door de Werldraad van Kerken in Vancouver, 1983, maakte het er niet beter op. Dat was in de ogen van velen niet alleen horizontaal en eenzijdig links, maar ook nog eens ‘new age’: de schepping werd moeder aarde. 


Best begrijpelijk dus, als mensen die deze ontwikkelingen van een afstand óf van binnenuit hebben meegemaakt, hun wenkbrauwen fronsen als er in hun nieuwe kerk wordt gevraagd om aandacht voor het milieu en de enorme armoede in de wereld. Gaan we weer dezelfde kant op? Want wat baat het als we de hele wereld winnen (of redden) en schade leiden aan onze ziel. Eén ding is nodig, toch?

Maar het grote gevaar is dat we daarmee in een even grote eenzijdigheid vervallen als de wereldverbeteraars die Jezus alleen nog maar nodig hadden om hun gelijk te bewijzen als het gaat om eerlijk delen (geef je tweede jas weg) en tegen bewapening (keer de andere wang toe), niet meer als Verlosser. Want de Jezus van Johannes 3:16 vroeg zijn leerlingen óók om gerechtigheid, om te delen, om zorg te hebben voor armen, zieken, gevangenen, vreemdelingen; hij trok zich het lot van mensen aan die door anderen werden gemeden of verstoten. En de profeten - niet alleen Micha - vóór Hem hadden gedaan. 


Daarom ben ik blij met Micha: de organisatie die aandacht vraagt voor  dezelfde thema’s als het conciliair proces - misschien wat minder voor bewapening - , maar nooit los van de verbinding met de levende Heer. In de tekst waaraan de beweging zijn naam te danken heeft, Micha 6:8, gaat het om recht doen, trouw betrachten én ootmoedig (of nederig) wandelen met God. 


Het Diaconaal Platform Dordrecht zet dit seizoen de Micha-cursus op de agenda; zie het bericht eerder in dit blad. In de hoop dat evangelische, reformatorische én oecumenische christenen zich willen laten onderwijzen over de samenhang tussen gerechtigheid ontvangen én gerechtigheid doen. 

Geplaatst  in Kerk op Dordt jaargang 7, nummer 21,  d.d. 4 november 2016, p. 32


vrijdag 29 april 2016

Wie meent te staan .......


Begin dit jaar waren er twee programma’s op t.v. waarin een groep Nederlanders werd geconfronteerd met de nood van anderen. In het ene - Rot op naar je eigen land - volgden vijf jonge mensen het spoor terug van twee jonge, Syrische vluchtelingen, vanuit Nederland - waar één van de twee aanspoelde en begraven werd - via de Jungle in Calais, Italië en Turkije naar Jordanië.
In de andere serie werden de deelnemers - vijf mensen van verschillende leeftijden -  met steeds heftiger vormen van armoede geconfronteerd. Eerst werden ze ondergebracht in een klein huurwoninkje, waarvan vervolgens eerst gas en licht werd afgesloten, en dat toen werd leeggehaald door een deurwaarder. Tenslotte werd de hele groep op straat gezet. Na een nacht in een koude caravan volgde er ook nog een op straat. Maar toen waren de drie mannelijk deelnemers al afgehaakt; alleen de twee vrouwen brachten de laatste nacht hongerig en verkleumd door in een verlaten winkelcentrum.

Die tweede serie heette Armoede in Nederland Eigen schuld! Met een uitroepteken dus, geen vraagteken. Het geeft de opvatting weer van twee van de vijf deelnemers aan het programma: armoede bestaat niet in Nederland, en als je toch aan de grond komt te zitten, is dat omdat je foute keuzes hebt gemaakt. Dat er soms omstandigheden zijn waarop je zelf niet of nauwelijks invloed hebt, wilde er bij hen niet in. Ze waren zelf geslaagd in het leven, of in ieder geval bezig te ‘slagen’,  en als zij dat konden, moest het anderen ook lukken. Armoede in Nederland: eigen schuld, dikke bult!

In 2008 verscheen het  boek Van miljonair tot krantenjongen van Sander de Kramer, voormalig redacteur van de Straatkrant en nu t.v.-presentator. De titel is een variant op de aanduiding voor ‘The American Dream', de opvatting, of het geloof, dat iedereen door hard te werken op kan klimmen van krantenjongen (dat wil zeggen: iemand die op straat losse nummers verkoopt van een dagblad) tot miljonair. Dat is hard werken, maar als je het wilt, kan het. Sander de Kramer laat zien dat het omgekeerde ook zo maar kan gebeuren: dat je van geslaagd en goedverdienend burger van de maatschappelijke ladder naar beneden kunt tuimelen en eindigt als straatkrantverkoper, om zo de paar euro’s die je moet betalen voor het slaaphuis van het Leger des Heils bij elkaar te schrapen. Vaak was het een traumatische situatie in de privé-sfeer - een partner of kind dat overleed, bijvoorbeeld - , soms ook een faillissement de aanleiding van de val.
Gelukkig zijn de gevolgen niet voor iedereen zo rigoureus. Er zijn ook mensen die ‘alleen maar’ in de schulden raken door de crisis, ontslag, gezondheidsproblemen. En die ‘alleen maar’ hun koopwoning kwijtraken en met een forse restschuld achterblijven, of anderszins een flink aantal jaren van minder dan een bijstandsinkomen moeten leven.

Christenen leerden het van Paulus: wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle (1 Kor. 10:12).  Dat geldt voor vallen in zonde - Paulus noemt ontucht, afgoderij, opstandigheid - maar ook voor armoede. Het geldt zelfs voor het ‘vluchtelingschap’; niets garandeert ons dat we op enig moment zelf niet aangewezen zullen zijn op de barmhartigheid van anderen.
Christenen leerden het van Jezus’ woorden én van Zijn ‘daden’: om met ontferming bewogen te zijn, om te helpen; als de mensen in nood onschuldig is, maar óók als zijn nood hem wel te verwijten valt. Want die laatsten zijn er natuurlijk wel. Maar voor Jezus maakte het niet uit; Hij genas, bevrijdde, voedde en onderwees hen allemaal. Als Hij iets zei over schuld, was het veelal achteraf (zondig van nu af niet meer).

Pas op dat je niet valt! En laat je houding tegenover mensen die wél vielen - schuldig of onschuldig - bepaald worden door het besef dat het jou ook zomaar kan overkomen.

Geplaatst  in Kerk op Dordt jaargang 7, nummer 19,  d.d. 29 april 2016, p. 32









maandag 7 maart 2016

Je wordt er altijd beter van

Het gelovige gebed zal de zieke redden, en de Heer zal hem laten opstaan. 
(Jakobus 5: 15a)

We hadden het al eens aangeboden in onze wijkgemeente: ziekenzalving, zoals Jakobus daar aan het slot van zijn brief over schrijft. Dat was in de tijd dat Janneke Vlot uit Bleskensgraaf werd genezen van posttraumatische dystrofie. Naar aanleiding van deze gebeurtenis hielden we een leerhuis en besloten we als kerkenraad dat we verzoeken om ziekenzalving graag wilden honoreren. Daar werd jaren geen gebruik van gemaakt, tot eind vorig jaar een jonge vrouw uit de wijkgemeente dat wel deed.

Nu is gebedsgenezing een onderwerp waarover in kerkelijke kring de wegen behoorlijk uiteen gaan. Rooms Katholieken maakten er een sacrament voor stervenden van, het laatst oliesel.  Sommige gebedsgenezers maakten velen huiverig (en afkerig) omdat zij zieken die niet genazen op hun gebed verweten dat ze te weinig geloof hadden (dat terwijl Jezus in Mt. 17:14-20  de ‘genezers’ hun ongeloof verwijt, niet de zieke jongen of zijn vader) of die zieken afraadden of verboden een arts te raadplegen.
Voor veel anderen speelt het onderwerp helemaal geen rol (meer); orthodoxen twijfelen er niet aan dat Jezus en de apostelen indertijd wonderen hebben verricht, maar stellen dat dat niet meer hoefde, en dus ook niet meer gebeurde, toen de bijbel klaar was; vóór die tijd was het nodig om de heidenen te overtuigen. Aan de ander kant van de kerk worden wonderverhalen ontmythologiseerd: ze hebben wel betekenis, maar moeten vooral niet letterlijk gelezen worden.

De verzen kunnen inderdaad veel vragen oproepen: over genezing en geloof, genezing en zonde, over de ‘aard’ en functie van de zalfolie, over van alles en nog wat. En pastoraal zit er ook heel veel aan vast: wat als iemand niet geneest, toch sterft?
Maar misschien moeten we maar gewoon gehoorzaam zijn: zingen als je vrolijk bent, bidden als je het moeilijk hebt en de oudsten van de gemeerde roepen als je ziek bent, om die voor je te laten bidden en je met olie zalven. En misschien moeten die oudsten dat dan maar gewoon doen, óók als ze veel vragen hebben.

Je wordt er altijd beter van, zei iemand over ziekenzalving. Dat kan wat vrijblijvend klinken: er zijn ook mensen die ontzettend opknappen van een flesje gekleurd water. Maar tegelijkertijd blijkt het ook erg waar te zijn: soms doordat de zieke op een wonderbaarlijke manier geneest, soms ook doordat die in volle vrede en/of zonder pijn sterft. Niet iedereen staat op van zijn bed, óók niet in de bijbelse tijd. Maar het gelovige gebed zorgt wel voor redding; soms van de dood, soms door de dood heen.

Geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 7,  nummer 3  d.d. 5 februari 2016



donderdag 17 december 2015

Beschikken

Dit jaar kwamen er betrekkelijk veel vluchtelingen naar ons land. Daar is van alles over te zeggen en gezegd (en geroepen, en geschreeuwd), maar het gaat me nu even om de volgende overweging: zou het kunnen zijn dat de Here God deze mensen naar ons toe brengt omdat we zo spaarzamelijk  gehoor hebben gegeven aan Zijn opdracht om naar hen toe te gaan. Ja, we gingen er wel heen, maar toch vooral om er aan te verdienen; we noemden  hun landen niet voor niets wingewesten.
Pastor Edgar, de Iraanse predikant die sprak op de Open Doorsdag van 28 november j.l., ziet het ook ongeveer zo: “Westerse christenen komen landen in het Midden-Oosten vaak niet in, om daar te evangeliseren. Maar God stuurt hen [de vluchtelingen, w.a.] hierheen. Ziet de kerk dat dat een kans is, dat daar een taak ligt?”

Een paar weken geleden was er een prachtige bijeenkomst waarin een onderzoek werd gepresenteerd naar de internationale kerken (voorheen ook wel migrantenkerken genoemd) in Dordrecht. De stad blijkt er een dertigtal te herbergen en waarschijnlijk is het merendeel daarvan voor veel blanke kerkgangers volkomen onbekend (en daardoor ‘onbemind’).
Maar waar het nu even om gaat is dit. Behalve de onderzoekster, Ditta Westerbeke, spraken op deze avond Arnold van Heusen en Dele Olowu; behalve Nigeriaans predikant is hij ook stadsgenoot. De eerste schreef over de laatste: “Oluwu is moderator van een Afrikaans kerkgenootschap dat in tien Europese landen vele plaatselijke gemeenten heeft en om te zien hoe hij zich aan de kant van de Nederlandse kerken schaarde om sámen de vluchtelingen te hulp te schieten - dat was prachtig!”
Zelf vertelde Van Heusden over een Armeens lid van zo’n internationale kerk die hij een lift gaf.  “‘Ik denk wel eens dat God ons misschien hierheen stuurt om jullie te helpen, om de kerk te helpen’  zegt hij zachtjes ‘vind je dat een goede gedachte?’”

In de bijbel lees ik regelmatig dat God ‘beschikt’ (van: de mens wikt, God beschikt). Soms letterlijk; zie bijvoorbeeld oudere vertalingen van het boek Jona. Daar ‘werpt’ God een grote wind op de zee en hij ‘beschikt’ een vis om de gedeserteerde profeet terug te halen, alsmede een boom en een worm om hem een lesje te leren. Maar ook op andere plaatsen zien we hoe Hij dingen gebruikt. Soms zijn dat ook foute dingen - en die blijven fout, zondig, en verwijtbaar - die Hij in Zijn dienst stelt voor iets goeds; denk aan de zonen van Jakob die hun broer als slaaf verkopen en het verraad van Judas. Of aan de vervolging in Jeruzalem, kort na Pinksteren: het zorgt ervoor dat de tweede fase van de driedelige zendingsstrategie (Jeruzalem - Judea en Samaria - de einden der aarde) in werking treedt: de gemeenteleden werden verspreid (SV, terecht: ’verstrooid’; het Griekse sperma zit in het werkwoord) over Judea en Samaria en verkondigden daar het evangelie, zie Handelingen 8:1-4.

Zou het kunnen zijn dat God aan het beschikken is; dat hij ons, Westerse, krimpende en veelal lauwe kerk een nieuwe kans geeft om te doen en te zijn waartoe Hij ons geroepen heeft, waartoe we kerk zijn: door de volkeren bij ons te brengen om hen het goede nieuws te brengen van de Zoon van God die arm werd, vluchteling zelfs, om ons rijk te maken. Én om in deze vluchtelingen en vreemdelingen Hemzelf te herbergen, natuurlijk.
En zou het kunnen zijn dat Hij broeders en zusters aan ons heeft gegeven uit andere culturen en met kennis van andere talen om ons daarbij te helpen. Of andersom natuurlijk: om ons, als ‘waterputters en houthakkers’, de gelegenheid te geven deze internationale christenen te helpen de Grote Opdracht uit te voeren.

Ik denk dat het best zou kunnen, en dat we in ieder geval ook zó naar het zo genoemde vluchtelingenprobleem moeten of mogen kijken. Want God beschikt!

Geplaatst  in Kerk op Dordt jaargang 6, nummer 24  d.d. 18 december 2015

vrijdag 4 september 2015

Dus ... geniet!

Dus eet je brood met vreugde, drink met een vrolijk hart je wijn. God ziet alles wat je doet allang met welbehagen aan.  Draag altijd vrolijke kleren, kies een feestelijke geur. Geniet van het leven met de vrouw die je bemint. Geniet op alle dagen van je leven, die God je heeft gegeven. Het bestaan is leeg en vluchtig en je zwoegt en zwoegt onder de zon, dus geniet op elke dag. Het is het loon dat God je heeft gegeven. 
Prediker 9:7-9

Als iemand ’dus’ schrijft, verwacht je dat er een logische conclusie volgt: roken is heel slecht voor je gezondheid, dus daar kun je beter zo snel mogelijk mee ophouden! Maar in Prediker 9 lijkt iedere logica zoek. In de eerste zes verzen van het hoofdstuk heeft de schrijver betoogd dat ieder mens hetzelfde lot treft - zo staat het ook letterlijk in vers 3 - het maakt niet uit of je al dan niet rechtvaardig bent.
Als je dat concludeert, ligt het voor de hand te vervolgen met de woorden waarmee het bijbelboek begint: ijdelheid der ijdelheden, het is allemaal ijdelheid (ofwel, met de NBV: allemaal lucht en leegte). Allemaal zinloos.
Maar dat doet Prediker niet. Heel verrassend gaat hij verder met het advies om volop te genieten van het leven. En dan niet vanuit al die het negatieve Geniet van ’t leven, het duurt maar even, maar in het geloof dat de goede dingen in het leven van God komen. Leven in het besef van de naderende dood moet niet leiden tot droefheid daarover, maar tot vreugde over het huidige leven.

Nu stammen de meeste leden van de PKN, en dus de meeste lezers van dit kerkblad, van  het calvinistische deel van de Reformatie, en die worden geacht vooral sober en matig te zijn; genieten scoort niet echt hoog op de lijst met christelijke deugden. Tot hun troost kan worden gemeld dat ook Prediker het hier niet heeft over een leven waarin alle remmen los gaan; hij sluit zijn boek ook af met de conclusie dat God oordeelt over elke daad en ieder dus dient te leven in ontzag voor God en gehoorzaamheid aan Zijn geboden. Maar dat sluit niet uit dat iedereen het gewone leven mag genieten als een gave van God.

Jochem Douma noemt de verzen over genieten een oase in de woestijn. Of eigenlijk: niet meer dan een oase in de woestijn. Over die woestijn heeft Prediker het uitvoerig gehad. Als rijke koning met een fors harem had hij alles waarvan veel mensen denken dat daarin het geluk te vinden is: bezit, macht, vrouwen (ofwel: gold, glory and girls). Maar de les die hij leerde is dat dat allemaal ijdelheid, allemaal lucht en leegte is. Toch brengt dat hem er niet toe dan maar voor de trein te springen. Integendeel: al bevind je je in de woestijn, dan hoeft dat geen verhindering te zijn om de weldaden van de oase volop te vieren en te genieten, als gave van God. Oók na de vakantie.

Geplaatst  in Kerk op Dordt jaargang 6, nummer17  d.d. 10 april 2015