Posts tonen met het label Diaconaat. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Diaconaat. Alle posts tonen

dinsdag 26 januari 2021

Sorry ……..


Child labour in the fashion supply chain


Tussen alle terugblikken en lijstjes die in de laatste week van 2020 langskwamen in de media bevond zich ook de ‘Sorrylijst’: een overzicht van - min of meer - geruchtmakende excuses voor gemaakte fouten. Daaronder minister Grappernaus over zijn huwelijksdag, BN-er Famke Louise over de uitspraak dat ze niet langer meedeed aan het opvolgen van de coronaregels en de koning over zijn 1-daagse vakantie in Griekenland. Maar op de lijst staan ook grotere dingen, excuses namens ons allemaal: dezelfde koning over onze rol als kolonisator in Indonesië en ‘de kerk’ over de passieve houding ten aanzien van de jodenvervolging in de Tweede Wereldoorlog. (Wie zich afvraagt of dat wel kan, schuld belijden voor iets wat gebeurde in een tijd dat je zelf nog niet geboren was, doet er goed aan na te lezen hoe Daniel, zelf een voorbeeld van oprechte vroomheid en toewijding aan God, schuld beleed voor de afval van het volk; zie Dan. 9).


Schuld belijden, excuses aanbieden - beter: vergeving vragen - over fouten die in het verleden zijn gemaakt, is belangrijk. Maar nóg belangrijker lijkt het me om na te denken over de vraag welke dingen we nu doen - of laten gebeuren - waarvoor we later schuld moeten belijden, sorry moeten zeggen. Twee voorbeelden. 


Linda Polman schreef een boek met de titel Niemand wil ze hebben. Die titel is gebaseerd op een triomfantelijke kop in een Duitse krant in juli 1938. In het Franse kuuroord Evian werd een internationale conferentie gehouden over de vraag wat men aan moest met het grote aantal joden dat weg wilde uit nazi-Duitsland. Dit was dus de conclusie: Keiner will sie haben. Joden op de vlucht zijn nergens welkom.  

In haar boek laat Linda Polman zien dat de argumenten die destijds werden gebruikt om joden te weren precies dezelfde zijn als nu worden aangevoerd om duizenden vluchtelingen aan de randen van Europa (Moria op Lesbos is maar één van de vele kampen) én in de rest van de wereld te laten creperen: gevaar voor de nationale veiligheid, de vluchtelingen hebben andere normen en waarden, ze pikken ‘onze’ banen in, enzovoort. Op 4 mei j.l. werden in Amsterdam twee indrukwekkende toespraken gehouden, maar toen het later in het jaar over de kinderen van Lesbos ging, was het besluit toch dat we ze niet wilden hebben. 


Het tweede voorbeeld is de slavernij. Mede door de Black lives matter-protesten is in het afgelopen jaar bij velen het besef doorgedrongen dat er alle reden is ‘sorry’ te zeggen tegen de nakomelingen van 'tot slaaf gemaakten'. En om na te denken over de vraag of er nog wat recht gezet moet worden. Op de Amsterdamse grachtengordel, maar bijvoorbeeld ook in Vlissingen, zijn prachtige panden gebouwd met geld dat is verdiend met de slavenhandel. We beschouwen dat nu als een grof schandaal, maar ondertussen is er wereldwijd nog steeds sprake van slavernij, en het is een hele kunst om er niet ook van te profiteren. 

In het materiaal voor de Micha-zondag van afgelopen jaar, met slavernij als thema, stond ook een schuldbelijdenis. Daarin wordt - met de wat vlakke woorden ‘het spijt me’ - vergeving gevraagd voor de pakjesbezorger die geen tijd meer heeft voor zijn gezin, de arbeidsmigrant die met zestien anderen in een flatje is gepropt, het kind dat de coltan uit mijn smartphone opgroef, de moeder die om middernacht mijn t-shirt naaide, de vader die mijn koffiebonen plukte en al een jaar niet naar huis mag en  de arbeider die het gif inademde van de verf op ons speelgoed. Wie geen slaven in dienst heeft, mag zijn vinger opsteken. 


Wie zijn overtredingen (…) belijdt én nalaat, zal barmhartigheid verkrijgen (Spreuken 28:13). 



donderdag 17 september 2020

Laat Jan Spruijt vrij!

De afgelopen jaren heb ik op verschillende manieren geprobeerd aandacht te vragen voor de situatie van tbs-er Jan Spruijt, die naar mijn mening zeer onrechtvaardig wordt behandeld. Zowel bij de politiek en de pers als de Ombudsman ving ik bot. Uiteindelijk wilde ik een petitie indienen, maar dat bleek weer niet mogelijk voor 'individuele gevallen'. Ik zoek verder, maar de toelichting op de petitie die ik had gemaakt, laat ik hier maar staan. 

Voor informatie: j.w.aanen@solconmail.nl 


Jan wie?

Jan Spruijt. Grote kans dat die naam je niets zegt. Als ik erbij vertel dat hij tbs’er is, kan ik me voorstellen dat je meteen allerlei beelden op je netvlies krijgt, van typetjes à la Michaël P. En dan een pleidooi voeren voor vrijlating? 

Sta me toe dat ik de casus toelicht. Neem een paar minuten de tijd voor de nood van een medemens. Ik zal het kort houden.

Eind mei publiceerde de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) een advies met als titel Langdurig in de tbs. Kortweg: Voor een deel van de tbs-gestelden is uitstroom niet mogelijk door aanhoudend delict-gevaar. Er zijn echter ook tbs-gestelden die potentieel wel zouden kunnen uitstromen, maar waarvan de behandeling stagneert door diverse knelpunten. Dit is problematisch omdat naast het voorkomen van recidive, een goede door-en uitstroom van belang is voor een effectief en toekomstbestendig tbs-stelsel.’

Jan Spruijt is een schoolvoorbeeld van iemand die mijns inzien al járen geleden de tbs-kliniek had kunnen en moeten verlaten.

In het Nederlands Dagblad (23 december 2017) stond een uitgebreid verhaal over Jan. Ik vat het hier kort samen en licht de argumenten toe om Jan op korte termijn (helemaal) vrij te laten. 

Wat er gebeurde 
Jan Spruijt (*Dordrecht, 1960) brengt een groot deel van zijn jeugd door in inrichtingen. Uit onderzoek door de commissie Deetman is gebleken dat hij daar seksueel is misbruikt. 
Jan ziet zelf in die context maar twee mogelijkheden om zijn leven nog enigszins op de rails te houden: (terug-)vechten en drinken. Met list en bedrog, soms met geweld, onderhoudt hij zijn alcoholverslaving. Aan dat leven voor galg en rad komt abrupt een eind aan als Jan in augustus 2006 twee bejaarde priesters overvalt en berooft. Binnen een dag wordt hij in de Dordtse binnenstad opgepakt, op een adres waar iemand uit de kennissenkring van Jan woonde.
Hij wordt veroordeeld tot 6 jaar cel, maar gaat in hoger beroep. Niet omdat hij de straf te zwaar vindt, maar omdat hij behandeld wil worden. In hoger beroep wijst de rechter vonnis: 40 maanden cel plus tbs. Zodoende belandt Jan in februari 2009  in tbs-kliniek De Kijvelanden in Poortugaal. Daar doorloopt hij met goed gevolg zijn behandeling. Zodra hij met onbegeleid verlof mag, wandelt Jan dagelijks langs de Oude Maas naar een verzorgings- en verpleeghuis waar hij vrijwilligerswerk doet; het is waarschijnlijk de gelukkigste tijd uit zijn leven. 
Sinds zijn arrestatie heeft Jan geen druppel alcohol gedronken. Op eigen initiatief bezoekt hij bijeenkomsten de Anonieme Alcoholisten, want hij beseft heel goed dat ‘droog staan’ niet betekent dat je geen alcoholist meer bent. Hij weet zelfs geregeld te krijgen dat de AA binnen de kliniek een groep mag starten. 
Het gaat mis als de volgende fase aanbreekt, waarin Jan op ‘transmuraal verlof’ mag. Hij vraagt aan de kliniek om plaatsing in Horeb in Beekbergen, destijds een locatie van ‘De Hoop’ in Dordrecht. Een erkende christelijke ggz-instelling dus, zonder gedoogbeleid, die hem had kunnen begeleiden naar het leven dat hij graag wilde leven. Het hoofd van de afdeling in De Kijvelanden waar Jan toentertijd verbleef wilde dat voor hem regelen, maar zij werd overgeplaatst. Het gevolg is dat Jan niet naar Hebron gaat, maar naar De Gaarshof, een instelling met een gedoogbeleid, waar drank en drugs dagelijkse kost waren (en zijn?) en waar er alles aan gedaan wordt om Jan opnieuw in de fout te laten gaan. Jan bedingt dat hij naar de AA in Breda mag en dat hij het aversiemiddel antabus zal krijgen als de zucht naar drank hem teveel wordt. Dat middel zorgt ervoor “dat je niet goed meer tegen alcohol kan. Je wordt ziek als je toch drinkt.” 
Maar als puntje bij paaltje komt, wordt het gewenste middel hem geweigerd! En dan gaat het dus goed fout; begin april 2016 zet Jan het op een zuipen. De dag erna meldt hij zich weer bij De Kijvelanden, overigens zonder andere misstappen te hebben begaan. Hij wordt echter zwaar gestraft; Jan wordt overgeplaatst naar de Pompekliniek in Nijmegen en het duurt tot begin 2019 voor hij opnieuw toe komt aan transmuraal verlof; deze keer in een woninkje op het terrein van de kliniek. Al de jaren dat Jan in Nijmegen verblijft, krijgt hij te horen dat hij nog niet in aanmerking komt voor proefverlof omdat hij nog heel wat ‘behandelingen’ nodig heeft. Maar als hij dan vraagt welke behandelingen dat zijn, krijgt hij geen antwoord. In al de Nijmeegse jaren is er vanuit de kliniek geen enkele behandeling verstrekt. De enige therapie die hij krijgt, is die waarom hij zelf heel lang om heeft moeten vragen: gericht op de verwerking van het seksueel misbruik in zijn jeugd. Daarvoor komt een therapeute van buiten langs. 
Intussen ‘vangt’ de kliniek voor Jan wel jaarlijks ruim 160.000 euro (!) van de overheid c.q. de belastingbetaler, louter voor bad, brood & bed! Ook in Nijmegen bezoekt Jan bijeenkomsten van de AA en ook hier weet hij geregeld te krijgen dat deze organisatie binnen de kliniek aan het werk kan. 
De kliniek laat keer op keer steken vallen. Daarvoor krijgt Jan weliswaar excuses aangeboden, maar het uitblijven van een gerichte behandeling en de slordige manier waarop hij wordt bejegend, maken het toch al uitzichtloze bestaan voor hem extra zuur. Brieven naar en van Jan zijn tijden onderweg; ook de correspondentie van het ziekenhuis en zijn advocaat verloopt uiterst traag. Gevolg is onder andere dat Jan afspraken in het zieken huis mis loopt. Hij zat op een gegeven moment in zijn woninkje zeven weken zonder water, twee maanden zonder gas en gedurende vijf maanden met een kapot slot, waardoor een levensgevaarlijke situatie ontstond. Drie keer moest hij ook zijn woonruimte leeghalen omdat de vloer gerepareerd moest worden; de eerste twee keer leverde dat niks op, de laatste keer kwam er maar een gedeeltelijke oplossing. 
In de zomer van 2020 had Jan zo zijn buik vol van al deze zaken, dat hij weer ‘in de fout’ ging; hij bleef een nacht weg - dat mocht – maar: zonder telefonisch bereikbaar te zijn – en dat mocht niet. Dus zit Jan weer binnen de hekken van de kliniek; weliswaar op de resocialisatieafdeling, maar toch…. 

Waarom een petitie? 
Er zijn minstens 6 redenen die pleiten voor een onmiddellijk onvoorwaardelijk verlof – desnoods een proefverlof.

1. Jan Spruyt heeft zelf gevraagd om tbs om behandeld te worden voor zijn alcoholverslaving, omdat hij niet op dezelfde manier verder wilde. 
Jan werd de dag nadat hij twee priesters had overvallen opgepakt in de woning van een goede kennis in het centrum van Dordrecht; de stad waar iedere agent hem kende. Dat laat zien dat hij er niet op uit was uit handen van justitie te blijven. Vervolgens ging hij in hoger beroep omdat hij behandeld wilde worden; als hij akkoord was gegaan met de oorspronkelijke straf, was hij bij goed gedrag na vier jaar, in de zomer van 2010, weer vrij geweest. Maar dan: onbehandeld. 
In december 2006, toen hij wachtte op de behandeling van zijn hoger beroep, schreef hij me: ‘Ik weet wel één ding zeker: ik wil er anders uitkomen want anders blijf ik dezelfde Jan Spruijt.’

2. Jan verschuilt zich niet achter zijn ‘moeilijke jeugd’ en/of een fout van de kliniek om zijn misstappen goed te praten. 
Jan heeft heel veel reden om te verwijzen naar wat hij als kind heeft meegemaakt. Maar dat deed en doet hij niet. En hij geeft ook niet (alleen) de kliniek de schuld van zijn ontsporing in De Gaarshof. Hoewel Jan het als een grote fout beschouwt van de kliniek om hem hier te plaatsen, zegt hij ook: ‘Niemand heeft me een mes op de keel gezet om me te dwingen weer te drinken’. 

3. Jan heeft zijn behandeling volledig doorstaan en was en is een ‘voorbeeldige patiënt’. 
Dat is iets anders dan een makkelijke patiënt; als Jan het idee had dat hem onrecht werd aangedaan, liet hij dat weten en diende hij zo nodig een klacht in. Maar hij onderging in De Kijvelanden de behandeling die men voor hem noodzakelijk achtte, liep niet weg tijdens zijn verlof. Hij ging trouw en met plezier naar zijn vrijwilligerswerk en zorgde ervoor dat verslaafde medepatiënten binnen de muren deel konden nemen aan het AA-programma (iets waar de klinieken zelf nog niet opgekomen waren, terwijl men wel weet dat driekwart van de bewoners verslaafd is). 


4. Jan wordt heel zwaar gestraft voor bijna niks 
Bij de overtredingen die Jan beging, handelde hij in strijd met de beperkingen die hem door de kliniek waren opgelegd. Maar zowel alcohol drinken als op stap gaan zonder telefoon zijn in onze maatschappij geen misdaden. Toch kosten ze Jan jaren van een leven in vrijheid. 

5. Jan houdt al jaren een tbs-plaats bezet zónder enige vorm van behandeling te ondergaan terwijl er een lange wachtlijst is voor de tbs-klinieken. 
‘Momenteel wachten 45 mensen in de gevangenis tot er een plek vrijkomt in een tbs-kliniek’, meldde RTV Noord op 15 juli 2020. Dan is het wel erg bizar dat iemand die al jaren niet behandeld wordt, en ook bepaald niet vluchtgevaarlijk is, al jaren binnen gehouden wordt, à raison van 160.000 euro belastinggeld per jaar. De Pompe-kliniek betoogt keer op keer, tegenover Jan én tegenover de rechter, dat Jan nog de nodige behandelingen moet ondergaan, maar ze geeft niet aan welke behandelingen men op het oog heeft. Feitelijk is er ook geen sprake van behandeling. 

6. Jan is kennelijk het slachtoffers van de Michael P’s. 
De afgelopen jaren hebben tbs-ers verschrikkelijke misdaden begaan tijdens hun verloven. Waarschijnlijk heeft dat de klinieken zo voorzichtig - of: bang - gemaakt, dat de ‘goeden’ met deze kwaden moeten lijden. Maar dat kan in een rechtsstaat toch nooit de bedoeling zijn? 

===========================================

Onderstaand opiniestuk schreef ik in december 2022 voor het Nederlands Dagblad, in de hoop dat het precies vijf jaar nadat het uitgebreide artikel over Jan Spruijt was geplaatst, dus op 23 december 2022, in de krant zou komen. De redactie is daar helaas nie top ingegaan.

 
Jan; vijf jaar later

In vergelijking met de grote zaken over onrecht dat Nederlandsers van regeringswege is aangedaan - zoals de toeslagenaffaire en Groningen - is het natuurlijk een kleinigheid.Het gaat om een enkeling, die ook nog eens wat te verwijten valt. Maar het is naar mijn mening wel onrecht. En daarom belangrijk dat het genoemd wordt. 

Precies vijf jaar geleden stond in deze krant een uitgebreid verhaal over Jan, tbs-er te Nijmegen. Voor wie het even niet paraat heeft: Jan werd als kind gruwelijk seksueel misbruikt (volmondig erkend door de commissie Deetman) en maakte vervolgens gedurende enkele decennia Dordrecht onveilig door met list en bedrog, en soms met geweld, zijn alcoholverslaving te onderhouden. 
In 2006 werd hij veroordeeld voor twee roofovervallen op Rooms-katholieke geestelijken. Tegen zijn veroordeling tot 6 jaar cel ging Jan in beroep, niet omdat hij de straf te hoog vond, maar omdat hij behandeld wilde worden. In hoger beroep werd de straf 40 maanden cel plus tbs. In Poortugaal doorliep Jan met succes zijn behandeling. Het ging mis toen hij in 2015 als alcoholist - die al 9 jaar droogstond - voor zijn transmuraal verlof in een instelling werd geplaatst met een gedoogbeleid, in plaats van de christelijke instelling waar hij naar toe had gewild. In De Gaarshof in Baarle-Nassau verkeerde Jan zodoende dagelijks tussen drinkende, blowende en misschien ook wel spuitende medebewoners. Tot het moment dat hij het zelf op een zuipen zette en weer terug geplaatst werd in de kliniek. 

Als Jan niet in beroep was gegaan tegen zijn veroordeling, zou hij 10 jaar geleden weer op straat hebben gestaan. Maar dan wel onbehandeld. Nu is hij nog steeds tbs-er; met dien verstande dat hij afgelopen zomer met de noorderzon is vertrokken vanuit zijn tiny house, net buiten het hek van de Pompekliniek, en dat hij tot op heden kennelijk onvindbaar is. Het is niet duidelijk of er nog naar hem wordt gezocht, of dat justitie hem dermate ongevaarlijk vindt, dat men er geen energie mee in steekt om hem te vinden. 

Nu ben ik niet altijd zo onder de indruk van mensen van wie als reden voor hun wangedrag wordt aangevoerd dat ze een moeilijke jeugd hebben gehad, of die dat zelf doen. Maar in het geval van Jan denk ik dat die relatie er wel degelijk is. En zijn illegale vertrek snap ik ook heel goed. Jan heeft in de laatste vijf jaren keer op keer te horen gekregen dat hij nog niet in aanmerking kwam voor de laatste tbs-fase: proefverlof, uitlopend op beëindiging van de tbs-maatregel. Hij zou nog de nodige behandelingen nodig hebben, werd steeds gezegd. Maar als Jan dan vroeg welke behandelingen dat waren, kwam er geen antwoord. En dus ook geen behandeling. De enige therapie die hij onderging, was die voor het seksueel misbruik in zijn jeugd. Maar daar had hij heel lang om moeten vragen, en kreeg hij uiteindelijk van iemand ‘van buiten’. 
Dat Jan zelf om behandeling had gevraagd, dat hij een ‘voorbeeldige’ patiënt was (misschien niet echt een makkelijke) die zijn behandeling heeft afgerond, dat hij zich zelf niet verschuilt achter zijn moeilijk jeugd (“niemand heeft me een mes op de keel gezet om me te dwingen weer te drinken” zegt hij over zijn misstap): het heeft de kliniek er niet toe gebracht hem te laten gaan. Dat hij een belangrijke(r) rol had kunnen spelen bij de AA en als ervaringsdeskundige voorlichter op het gebied van alcoholverslaving is niet gehonoreerd. En dat hij al jaren een tbs-plek bezet houdt terwijl er een lange wachtlijst is van gevangenen die op zo’n plek wachten (naar verluidt: à 160.000 euro per jaar) telt kennelijk ook niet. 

De afgelopen jaren is het niet gelukt (opnieuw) aandacht te krijgen voor de situatie van Jan. Niet bij de media, niet bij de politiek, niet bij de ombudsman en ook niet middels een petitie; die kon niet gelanceerd worden omdat het om een individu gaat, niet om een groter probleem. Maar ik hoop en bid dat Jan een goede plek heeft gevonden, al heb ik geen idee waar dat zou moeten zijn. Ik hoop ook dat er nog eens iemand uit wil zoeken hoe dit allemaal heeft kunnen gebeuren. 




dinsdag 24 oktober 2017

Diaconale dilemma’s

Arme mensen moet je helpen: hongerigen voeden, dorstigen te drinken geven, vreemdelingen huisvesten, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken. Jezus noemt deze zes werken van barmhartigheid  (in Mt. 25:31-46), en ‘Rome' voegde er nog een zevende aan toe: de doden begraven. Overduidelijk wat Jezus van zijn volgelingen verwacht. Maar soms is de toepassing wat lastiger. Diakenen, diaconieën en anderen die goed willen doen staan wel eens voor een dilemma. Ik noem er drie, in de hoop dat u mee wilt denken.

1. werkvakanties
U kent het concept: jongeren sparen een flink bedrag, al dan niet via sponsoring, en doen voor dat geld mee aan een diaconale werkvakanties. Ze gaan in een ver land bijvoorbeeld helpen om een schooltje te bouwen. Prachtig natuurlijk: dat er nog jongeren zijn die niet kiezen voor een strandvakantie maar zich in hun vrije tijd op deze manier inzetten voor hun naaste. Maar de afgelopen maand hoorde ik een directeur van een christelijke hulporganisatie die hier vraagtekens bij zette: wat doet het met het zelf respect van de mensen die op deze manier geholpen worden als er een groep middelbare scholieren voor hen een school of kerk komt bouwen. En hoe economisch is het; zou de klus niet veel beter en goedkoper geklaard kunnen worden als het geld van de reizen naar het land toe was gegaan en de mensen zelf het gebouw hadden neergezet. 
Er is wel een belangrijk tegenargument: jongeren komen anders terug van zo’n reis. Ze beschouwen onze welvaart niet meer als vanzelfsprekend en krijgen ook oog voor de nood in hun eigen stad. Dus een confrontatie met echte armoede is een goed ding. Maar misschien kan dat ook anders dan via een werkvakantie. 

2. hulpgoederen versturen
De dag nadat er een orkaan over de Antillen was geraasd, kwam er een Antilliaanse Rotterdammer - of Rotterdamse Antilliaan - in het nieuws die bezig was hulpgoederen te verzamelen om die naar de getroffen eilanden te versturen. Alles was welkom!  
Nu kan zo’n actie nuttig zijn als noodhulp, als er helemaal niks meer is of werkt in een rampgebied. Maar een ‘arm land’ waar wel (weer) het een en ander te koop is,  is natuurlijk veel beter geholpen met hulpgoederen die in het land zelf worden gekocht. Het scheelt een hoop verzendkosten, maar bovendien snijdt het mes dan aan twee kanten: de plaatselijke economie wordt gestimuleerd en dus helpt de hulpactie om het land weer, of méér, op eigen benen te laten staan. En dus om het moment aan te laten breken dat de hulp niet meer nodig is.   
Goederen inzamelen en (misschien wel zelf) wegbrengen is wellicht veel bevredigender voor de westerse ‘hulpverlener’; lekker concreet. En daarom levert het misschien ook wel meer op. Maar misschien zou de vraag waarmee ‘de ander’ het meest gebaat is toch voorop moeten staan. 

3. hongerigen voeden
De Voedselbank hanteert strenge criteria: méér leefgeld dan een heel klein beetje: dan geen voedselpakket. Anderen - zoals Broodnodig van de Dordtse Evangelisatie, het DAC en het inloophuis van De Hoop, - delen hun voedsel uit zonder te vragen naar het bestedingspatroon van de mensen die zich melden. Dagelijks Brood - óók DE - zit daar tussen in: die baseert zich op de diaken of hulpverlener die de persoon of het gezin aanmeldt. Maar wat als die een fors deel van het schamele inkomen van de hulpvrager besteed wordt aan sigaretten, alcohol of andere drugs? Of aan een duur telefoonabonnement. Of wat als de hulpvrager vindt dat de auto perse moet blijven, terwijl die niet echt nodig is. Van al die dingen kun je nog zeggen dat die persoon dat voor zichzelf doet. Maar het wordt al lastiger als hij of zij zich geroepen weet voor een stuk of 10 zwerfhonden of -katten te zorgen, en daardoor zichzelf tekort doet. En helemaal ingewikkeld wordt het als de hulpvrager maandelijks een bedrag overmaakt aan zijn familie, die in een ver Afrikaans land in armoede leeft. 

Dilemma’s: wie het weet mag het zeggen. 

Geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 8,  nummer 20  d.d. 20 oktober 2017

vrijdag 4 november 2016

Het conciliair proces en Micha


Ik hoorde het zowel van leden van een evangelische gemeente als van een bevindeljk-gereformeerde kerk (voor wie dat laatste een onbekende term is: die noemden we vroeger zwartekousenkerken. Maar dat is een stigmatiserend woord en bovendien is het aantal zwartekousendragers in deze kerken drastisch afgenomen). Evangelisch én bevindelijk gereformeerden dus. Ik doel op de reactie die de genoemde gemeenteleden kregen in hun eigen kerk als ze de suggestie deden dat  de grote wereldvragen - over het milieu, de verdeling tussen rijk en arm, oorlog en vrede, vluchtelingen enz. - wel degelijk ook in de kerk thuishoren. Zij kregen niet zelden van voorgangers of andere gemeenteleden te horen dat dat onderwerpen zijn waar de vrijzinnigen zich mee bezig houden, of dat het tot vrijzinnigheid leidt als je daarmee de aan de gang gaat. 

Misschien is die reactie niet zo verwonderlijk. Vooral in evangelische gemeenten komen de leden voor een belangrijk deel uit andere kerken (in de Vrije Baptistengemeente Bethel in Drachten, voorganger Orlando Bottenbley, was dat medio 2005 94%; 33,7% was eerst Gereformeerd (synodaal) en 11,4% Hervormd). En deze mensen zijn veelal hun eigen kerk ‘ontvlucht’ omdat de eerder genoemde thema’s zozeer de agenda gingen bepalen, ten koste van ‘de ziel en de zaligheid’, dat ze het er niet langer uithielden. Want waarom zou je op zondagmorgen vroeg je bed uitkomen om nog een keer een samenvatting te krijgen van wat de afgelopen week al in de krant stond, met een nogal eenzijdig ‘links’ commentaar van de voorganger erbij: wel oog voor de misstanden in Zuid Afrika en de Verenigde Staten, maar niet voor die in de communistische landen. Het ‘conciliair proces voor gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping’, geïnitieerd door de Werldraad van Kerken in Vancouver, 1983, maakte het er niet beter op. Dat was in de ogen van velen niet alleen horizontaal en eenzijdig links, maar ook nog eens ‘new age’: de schepping werd moeder aarde. 


Best begrijpelijk dus, als mensen die deze ontwikkelingen van een afstand óf van binnenuit hebben meegemaakt, hun wenkbrauwen fronsen als er in hun nieuwe kerk wordt gevraagd om aandacht voor het milieu en de enorme armoede in de wereld. Gaan we weer dezelfde kant op? Want wat baat het als we de hele wereld winnen (of redden) en schade leiden aan onze ziel. Eén ding is nodig, toch?

Maar het grote gevaar is dat we daarmee in een even grote eenzijdigheid vervallen als de wereldverbeteraars die Jezus alleen nog maar nodig hadden om hun gelijk te bewijzen als het gaat om eerlijk delen (geef je tweede jas weg) en tegen bewapening (keer de andere wang toe), niet meer als Verlosser. Want de Jezus van Johannes 3:16 vroeg zijn leerlingen óók om gerechtigheid, om te delen, om zorg te hebben voor armen, zieken, gevangenen, vreemdelingen; hij trok zich het lot van mensen aan die door anderen werden gemeden of verstoten. En de profeten - niet alleen Micha - vóór Hem hadden gedaan. 


Daarom ben ik blij met Micha: de organisatie die aandacht vraagt voor  dezelfde thema’s als het conciliair proces - misschien wat minder voor bewapening - , maar nooit los van de verbinding met de levende Heer. In de tekst waaraan de beweging zijn naam te danken heeft, Micha 6:8, gaat het om recht doen, trouw betrachten én ootmoedig (of nederig) wandelen met God. 


Het Diaconaal Platform Dordrecht zet dit seizoen de Micha-cursus op de agenda; zie het bericht eerder in dit blad. In de hoop dat evangelische, reformatorische én oecumenische christenen zich willen laten onderwijzen over de samenhang tussen gerechtigheid ontvangen én gerechtigheid doen. 

Geplaatst  in Kerk op Dordt jaargang 7, nummer 21,  d.d. 4 november 2016, p. 32


vrijdag 29 april 2016

Wie meent te staan .......


Begin dit jaar waren er twee programma’s op t.v. waarin een groep Nederlanders werd geconfronteerd met de nood van anderen. In het ene - Rot op naar je eigen land - volgden vijf jonge mensen het spoor terug van twee jonge, Syrische vluchtelingen, vanuit Nederland - waar één van de twee aanspoelde en begraven werd - via de Jungle in Calais, Italië en Turkije naar Jordanië.
In de andere serie werden de deelnemers - vijf mensen van verschillende leeftijden -  met steeds heftiger vormen van armoede geconfronteerd. Eerst werden ze ondergebracht in een klein huurwoninkje, waarvan vervolgens eerst gas en licht werd afgesloten, en dat toen werd leeggehaald door een deurwaarder. Tenslotte werd de hele groep op straat gezet. Na een nacht in een koude caravan volgde er ook nog een op straat. Maar toen waren de drie mannelijk deelnemers al afgehaakt; alleen de twee vrouwen brachten de laatste nacht hongerig en verkleumd door in een verlaten winkelcentrum.

Die tweede serie heette Armoede in Nederland Eigen schuld! Met een uitroepteken dus, geen vraagteken. Het geeft de opvatting weer van twee van de vijf deelnemers aan het programma: armoede bestaat niet in Nederland, en als je toch aan de grond komt te zitten, is dat omdat je foute keuzes hebt gemaakt. Dat er soms omstandigheden zijn waarop je zelf niet of nauwelijks invloed hebt, wilde er bij hen niet in. Ze waren zelf geslaagd in het leven, of in ieder geval bezig te ‘slagen’,  en als zij dat konden, moest het anderen ook lukken. Armoede in Nederland: eigen schuld, dikke bult!

In 2008 verscheen het  boek Van miljonair tot krantenjongen van Sander de Kramer, voormalig redacteur van de Straatkrant en nu t.v.-presentator. De titel is een variant op de aanduiding voor ‘The American Dream', de opvatting, of het geloof, dat iedereen door hard te werken op kan klimmen van krantenjongen (dat wil zeggen: iemand die op straat losse nummers verkoopt van een dagblad) tot miljonair. Dat is hard werken, maar als je het wilt, kan het. Sander de Kramer laat zien dat het omgekeerde ook zo maar kan gebeuren: dat je van geslaagd en goedverdienend burger van de maatschappelijke ladder naar beneden kunt tuimelen en eindigt als straatkrantverkoper, om zo de paar euro’s die je moet betalen voor het slaaphuis van het Leger des Heils bij elkaar te schrapen. Vaak was het een traumatische situatie in de privé-sfeer - een partner of kind dat overleed, bijvoorbeeld - , soms ook een faillissement de aanleiding van de val.
Gelukkig zijn de gevolgen niet voor iedereen zo rigoureus. Er zijn ook mensen die ‘alleen maar’ in de schulden raken door de crisis, ontslag, gezondheidsproblemen. En die ‘alleen maar’ hun koopwoning kwijtraken en met een forse restschuld achterblijven, of anderszins een flink aantal jaren van minder dan een bijstandsinkomen moeten leven.

Christenen leerden het van Paulus: wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle (1 Kor. 10:12).  Dat geldt voor vallen in zonde - Paulus noemt ontucht, afgoderij, opstandigheid - maar ook voor armoede. Het geldt zelfs voor het ‘vluchtelingschap’; niets garandeert ons dat we op enig moment zelf niet aangewezen zullen zijn op de barmhartigheid van anderen.
Christenen leerden het van Jezus’ woorden én van Zijn ‘daden’: om met ontferming bewogen te zijn, om te helpen; als de mensen in nood onschuldig is, maar óók als zijn nood hem wel te verwijten valt. Want die laatsten zijn er natuurlijk wel. Maar voor Jezus maakte het niet uit; Hij genas, bevrijdde, voedde en onderwees hen allemaal. Als Hij iets zei over schuld, was het veelal achteraf (zondig van nu af niet meer).

Pas op dat je niet valt! En laat je houding tegenover mensen die wél vielen - schuldig of onschuldig - bepaald worden door het besef dat het jou ook zomaar kan overkomen.

Geplaatst  in Kerk op Dordt jaargang 7, nummer 19,  d.d. 29 april 2016, p. 32









zaterdag 21 maart 2015

Daarenboven .....

In een oud formulier voor de bevestiging van ambtsdragers (nr. II uit het oude hervormde dienstboek, p. 170) wordt over de taak van diakenen gezegd: Daarenboven zullen zij de kerk dienen in haar taak om ook overheid en volk te wijzen op hun roeping, te streven naar een samenleving waarin het rechtvaardig toegaat en waarin er ruimte is voor ieder mens om le leven en te werken. 
In de jaren dat ik nu meedraai in het diaconale circuit, is dat nog wel eens aan de orde: dat je de (plaatselijke) overheid benadert inzake dingen die er mis gaan voor mensen die het - naar Nederlandse normen - iedere maand met een heel klein beetje geld moeten doen en die dan ook nog te maken krijgen met allerlei sancties die hun ruimte om te leven en te werken ernstig belemmeren.

Soms helpt dat. Dan erkent de overheid c.q. de Sociale Dienst Drechtsteden (SDD) dat de regels misschien wel juist zijn toegepast, maar dat de casus uitwijst dat de regels niet deugen. Twee voorbeelden: de rechter bepaalde dat een vrouw recht had op een paar honderd euro alimentatie per maand. ’Dat ga ik niet betalen’, zei haar ex. ’Maar wij gaan het wel vast inhouden’, besloot de SDD. Nu is er wel een procedure waarmee de vrouw haar geld kon binnenhalen, maar die duurt zo maar een half jaar. En dan had ze wellicht inmiddels onder de brug geslapen omdat ze van een halve uitkering niet eens haar de vaste lasten kon betalen, laat staan dat ze er ook nog boodschappen van kon doen.
Een andere inwoonster van deze stad had werk gevonden, maar wel met een nul-urencontract. Haar salaris van september werd pas 27 oktober betaald, en de berekening kreeg ze ook niet eerder. Maar in de regeltjes van de overheid staat dat ze verplicht was uiterlijk 25 oktober aan te tonen hoeveel ze had verdiend, zodat dat bedrag verrekend kon worden. Dat kon ze dus niet, en daarom kreeg ze bericht dat ze een boete van 150 euro zou krijgen. Nogal een fors bedrag als je van een inkomen op bijstandsniveau moet leven; het verschil tussen wél of niet voldoende eten voor je kinderen.

Soms helpt het niet. Ik trok jaren op met een Dordtenaar aan wie keer op keer was beloofd dat hij via allerlei integratietrajecten en ’stages’ vast werk kon krijgen. Hetgeen niet gebeurde. Vervolgens werd hij - na een misstap, dat wel, maar vooral voortkomend uit het gegroeide wantrouwen tegenover de SDD - bijna als vermeend terrorist behandeld door die organisatie. Ik schaam me nog plaatsvervangend voor de manier waarop hij in een bezwaarcommissie werd behandeld door de voorzitter, en hoe het lid van de commissie dat was aangewezen om vooral zijn belangen te behartigde, stommetje speelde.

Nu is een diaken geen profeet; die kregen heel rechtstreeks van God te horen wat ze moesten zeggen en tegen wie. Daarbij kwamen zelfs koningen aan de beurt, denk aan Natan versus David en Johannes de Doper die Herodes op zijn fouten wees.  Zo heeft de kerk  het - naar mijn bescheiden mening: terecht - ook altijd als haar opdracht gezien de overheid aan te spreken op haar verantwoordelijkheid. Soms deed de ze dat wel met een heel grote mond en redelijk eenzijdig en/of voorbarig, en daar moet ze voor oppassen. Maar PKN-scriba Arjen Plaisier deed het vorig jaar weloverwogen, correct, toen hij namens de PKN  de landelijke overheid aansprak op haar houding tegenover asielzoekers .

Diakenen doen dat óók, ofwel: ’daarenboven’. Ze helpen - wereldwijd, of in eigen land en stad - daar waar geen helper is. Maar soms is er wat meer nodig; dan wijst zij of hij niet alleen de eigen gemeente, maar ook de overheid op haar roeping ruimte te scheppen. Ruimte voor ieder mens om te leven en te werken.

Geplaatst  in Kerk op Dordt jaargang 6, nummer 6  d.d. 13 maart 2015, p. 32

woensdag 14 augustus 2013

Bad, brood en bed


De bijna-een-Elfstedentocht-periode in februari, waarin we dekens naar het Leger des Heils konden brengen  ten behoeve van de daklozen ligt weer royaal achter ons. De komende negen maanden moeten die dak- en thuislozen het  doen met de standaardvoorzieningen van het DAC, het Leger, Stay Clean van De Hoop en Broodnodig van de Dordtse Evangelisatie. Maar goed, die voorzieningen zijn er wel, en het is voluit een goede zaak dat kerken en christenen daarbij betrokken zijn. 
En toch ontkom ik er af en toe niet aan ook wat vraagtekens te zetten. Ik waag het erop die met u te delen.

Stel: u bent Nederlands staatsburger, alleenstaand, 21  jaar of ouder, u hebt geen uitkering o.i.d., geen eigen geld maar ook geen schulden en u hebt bij het Leger des Heils een postadres. Dan hebt u recht op een maandelijkse (daklozen-)uitkering van € 668,21 per maand.
Maar u zit aan de goede kant van de streep, want u hebt de afgelopen nacht bij het Leger kunnen slapen en als u ervoor zorgt dat u zich op tijd meldt, is ook de komende nacht uw bed in het slaaphuis gereserveerd. Dat kost u € 4,00 per nacht; daarvoor krijgt u een bed en twee broodmaaltijden, incl., koffie en thee,  en ’s avonds ook nog soep. Voor € 2,00 kunt u tussen de middag een warme maaltijd krijgen. Verder is er overdag op verschillende adressen op loopafstand van het slaaphuis voor niets of een klein beetje wel koffie, en soms ook nog het nodige eten, te verkrijgen.
Dat betekent dat u voor een kleine 200 euro per maand voorzien bent van de meest basale levensbehoeften, in het circuit samengevat met de begrippen bad, brood en bed; tel daar nog een euro of 60 bij voor zorgkosten (premie minus toeslag), dan houdt u nog ongeveer 350 euro ‘zakgeld’ over per maand. Geld dus voor kleding, beltegoed, cadeautjes enz.  En/of voor tabak, alcohol en andere drugs, natuurlijk.
Ga dat nou eens uitleggen aan een bijstandsmoeder. Die krijgt weliswaar een paar honderd euro meer per maand, maar moet daar wel eerst huur en energie van betalen en vervolgens ook nog eten voor haarzelf en de kinderen.

Zou het  nou erg onbarmhartig  zijn om tegen iemand die geen kans ziet zijn of haar uitkering te gebruiken voor het doel waarvoor deze wordt verstrekt - namelijk: voor de meest noodzakelijke levensbehoeften  -  in nature te ‘betalen’.  Om dus  tegen zo iemand te zeggen: u krijgt van ons een kamertje van 3 x 2 meter met een bed, een kast, een tafel en een stoel. Daar betaalt u een reële prijs voor, net als voor uw eten. De rest is deels zakgeld en een ander deel  sparen we voor je toekomstige woning of kamer.
Dordrecht staat, net als veel andere steden, vol met leegstaande kantoorgebouwen; daar moet er toch eentje bij zijn die geschikt is of gemaakt kan worden voor dit doel. Of gebruik het leegstaande zusterhuis van ASZ-Amstelwijck, het oude Refaja.

Nu loop ik inmiddels lang genoeg mee in het diaconale circuit om te weten dat het niet allemaal zo simpel is als het hierboven wordt beschreven. Er zijn bijvoorbeeld ook zorgmijders, en er zijn ‘ongedocumenteerden’ -  zo bestempelen hulpverleners‘illegalen’, want  ‘er bestaan geen onwettige mensen, er bestaan wel onmenselijke wetten’.  Maar voor die laatste groep blijven er vast wel een paar verdiepingen zusterflat over.
Als de gemeente deze plannen gaat realiseren, hoeven kerken en christenen zich geen zorgen te maken:  er blijft voor hen  genoeg ruimte over om zich in te zetten voor dak- en thuislozen. Want ook zij kunnen van bad, brood en bed alléén niet leven.

Onder de titel 't Is weer voorbij, die barre winter geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 3 , nummer 8 d.d. 30 maart, p. 32.
Bij publicatie van dit verhaal was de prijs voor een nacht bad, brood en bed bij het Leger des Heils al verhoogd naar € 5,00. Ook de voorwaarden voor het verkrijgen van een bijstandsuitkering zijn aangescherpt, vooral voor 'jongeren' tot 27 jaar. Aan de kern van het betoog doet het m.i. niets af. (wa).















Micha en de 'linkse kerk'



Lezers van dit blad die net zo oud zijn als ik, of zelfs nog iets ouder, kunnen het zich waarschijnlijk nog wel herinneren: de jaren zestig en zeventig, die niet alleen buiten de kerk ‘roerig’ waren (met hippies provo’s en kabouters, met bezettingen en protesten tegen kernwapens, de Vietnamoorlog, het onrecht in Zuid Afrika enz.) maar ook daarbinnen.  Dominees kwamen tot de conclusie dat ze (of: we) veel te lang alleen maar bezig waren geweest met de ziel en de zaligheid en dat het tijd werd de blik naar buiten te richten. En van de weeromstuit begonnen ze in hun preken de krant van de afgelopen week samen te vatten en te becommentariëren (ik chargeer hevig, maar dat moet wel als je maar 600 woorden mag gebruiken).
Het gevolg was een oorlog in de kerk; bijvoorbeeld tussen de kerkelijke club – het IKV - die vond dat alle kernwapens de wereld uit moesten, te beginnen uit Nederland en de tegenhanger – het ICTO - die dat ook wel een goed idee vond, maar dan zo dat de vijand van toen, de communisten, gelijk met ons op zouden ontwapenen. Met dus  een heftige polarisatie tot gevolg, en een extra stimulans voor de leegloop van de kerk, die ondertussen volop aan de gang was.

Maar het boeiende van onze tijd is dat kerken en christenen die zich voorheen óf  vooral conformeerden aan ‘rechtse’ partijen en standpunten (de communisten vervolgen christenen, communisten zijn links en dus zijn wij rechts) óf zich in het geheel niet inlieten met zulke aardse zaken als politiek, nu weer oog krijgen voor de grote vragen van onrecht en milieu.
Het goede daarbij is dat ze zich niet meer laten indelen in links en rechts; ze zijn tegen het doden van baby’s in de moederschoot, maar ook tegen de schrijnende ongelijkheid tussen noord en zuid (de verkoper in een Dordtse kledingwinkel verdient in een maand ongeveer net zoveel als diegene die het kledingstuk in elkaar gezet heeft in 12 jaar) en  de kindersterfte die daar het gevolg van is. Het eerste gold lang als een rechts standpunt, het tweede als links. Maar het besef drong door dat het allebei gruwelen zijn in de ogen van God; dat de ongeboren kinderen Hem ter harte gaan, maar ook de kinderen die wel ter wereld kwamen maar daarna stierven door honger.
En zo kreeg je bewegingen als Time to turn en de ‘Micha-beweging’, die aandacht vragen voor de héle oproep in Micha (6:8): recht doen, trouw betrachten én ootmoedig met God wandelen. Vroom en radicaal tegelijkertijd, zeg maar. Dezelfde christenen  die actief zijn in milieubewegingen e.d., spannen zich ook in om  het goede nieuws van Jezus’ dood en opstanding met anderen te delen.

Maar eigenlijk zijn ze daarmee weer terug bij hun wortels. Evert van der Poll – als ik me niet vergis een van de weinige mensen die indertijd zowel meeliepen in de grote demonstatie(s) tegen kernwapens als die tegen abortus – schreef indertijd al een boek waarin hij aantoonde hoe (orthodoxe, vrome, evangelische)  christenen indertijd heel actief waren in evangelisatie én en heel sociaal betrokken waren; denk aan de grote ‘awakenings’,  aan William Booth, maar ook aan de mensen van het Nederlandse Reveil en de tentzendingen. De grote voorvechter voor  de afschaffing van de slavernij was het evangelicale Brit William Wilberforce (1759-1833).
Later, na 1865, versmalde de beweging en raakte in zichzelf gekeerd; nu groeit gelukkig het besef dat daarmee het evangelie van het koninkrijk werd versmald. Ik denk dat Berkhof het  hierover had toen hij schreef: “ Een christen heeft een dubbele bekering nodig: eerst van de wereld naar God, dan weer van God naar de wereld.”

Geplaatst  in Kerk op Dordt jaargang 2, nummer 22 d.d. 18 november 2011, p. 36