zondag 28 juli 2019

…. inzonderheid de huisgenoten des geloofs ….


“Mag de kerkgemeenschap mij naar de voedselbank laten gaan?” Die vraag stelt mw. Tiny Kramer - woonplaats en leeftijd onbekend, alleenstaand, en in haar eigen woorden een “onder aan de samenleving bungelend kerklid” - in een ingezonden stuk in het Nederlands Dagblad van 5 juli j.l. Een spannende vraag, wat mij betreft, waar ik ook geen kant en klaar antwoord op heb, maar waar ik toch even met u over na wil denken. 
Wat in ieder geval verheugend is, is dat mw. Kramer nog steeds meelevend lid is van haar kerk. Heel vaak drijven gemeenteleden die met armoede te maken krijgen, weg omdat ze niet meer echt mee kunnen doen in hun - veelal blanke middle-class - kerk.

Mw. Kramer refereert in haar bijdrage aan de gemeente in Jeruzalem. Net na Pinksteren wordt daarover vermeld dat de leden “alles gemeenschappelijk” hadden; ze  “verkochten al hun bezittingen en verdeelden de opbrengst onder degenen die iets nodig hadden” (Handelingen 2:44, 45; zie ook 4:32-36). Dat gaat nog een paar stapjes verder dan in de kerk voedsel inzamelen voor de Voedselbank, en/of collecteren voor Present en SchuldldHulpMaatje. 
De kerk van mw. Kramer zamelt ook voedsel in, maar het feit dat zij nochtans wekelijks 12 kilometer moet fietsen om haar pakket op te halen, roept bij haar vragen op. 
In het vervolg van haar verhaal gaat het dan nog over ongezond eten en afgekeurde groenten en fruit. Daar reageerden in de dagen erna weer de nodige Voedselbank-vrijwilligers op, die betoogden dat de organisatie heel goed werk doet, en ook ‘van de geef’ leeft.  Daar hebben ze helemaal gelijk in, maar daarmee is de hoofdvraag van mw. Kramer niet beantwoord. 

Stel dat een kerkelijke gemeente anders wil helpen dan via de omweg van de Voedselbank. Dan zitten daar nogal wat haken en ogen aan. De kerk mag wel een rekening voor een nieuwe bril, de tandarts of een wasmachine betalen, maar als ze een bijdrage geeft voor de huishoudpot, dan moet het gemeentelid dat melden als hij of zij een bijstandsuitkering heeft. De Sociale Dienst is dan verplicht de ontvangen bijdrage in te houden op de uitkering; de kerk subsidieert in zo’n geval feitelijk alleen de overheid. En als iemand schulden heeft en in een schuldhulptraject zit, dan is iedere cent die hij of zij méér binnen krijgt dan het minimale  - 90% van de bijstandsnorm, in het gunstigste geval net genoeg voor bad, brood en bed - drie jaar lang voor de schuldeisers. Er is zelfs nog wel eens sprake van geweest dat de overheid een pakket van de Voedselbank ook als inkomen zou gaan rekenen, maar zover is ze gelukkig nooit gezonken. 

Maar moet de kerk dan anders omgaan met haar leden dan met ‘buitenstaanders’? Paulus lijkt dat wel voor te schrijven; hij roept op het goede te doen voor iedereen, maar vooral voor de geloofsgenoten (‘inzonderheid de huisgenoten des geloofs’, Galaten 6:10). In de praktijk werkt het ook wel vaak zo, is mijn ervaring; voor een betrokken lid van de kerk is de weg naar de Diaconie veelal wat korter. Als er hulp gevraagd wordt tenminste, want de drempel om die weg op te gaan is waarschijnlijk weer stukker hoger. Niet iedereen heeft, als mw. Kramer, de moed op een gemeenteavond te vertellen dat zij of hij aangewezen is op de voedselbnak. 

Het is een beetje een flauw, maar ik had u van tevoren gewaarschuwd: ik weet ook niet precies hoe het moet Wel, dat binnenlands en binnenstedelijke diaconaat nog steeds hard nodig is, en dat we misschien toch die woorden uit Handelingen 2 en 4 nog een een keer diep op ons in laten werken. 

Geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 10,  nummer 15  d.d. 26 juli 2019

zaterdag 2 maart 2019

Hackaton


Het zou zomaar kunnen dat u geen idee hebt wat dat is: een hackaton. Geneer u niet; ik wist het ook niet, totdat ik afgelopen najaar een uitnodiging kreeg om eraan deel te nemen. Om precies te zijn: een hackaton over Armoede en Schulden, georganiseerd door een aantal trainees van de Sociale Dienst Drechtsteden. Volgens een simpele definitie is een hackaton een “event waarin studenten of specialisten hun slimme hoofden bij elkaar steken om binnen korte, vastgestelde tijd een bepaald probleem op te lossen”. Alleen al het feit dat de organisatoren dachten dat ik zo’n slim hoofd heb, was genoeg reden om me aan te melden. 

Nu had ik net het prachtige boek van Japke-d. Bouma gelezen, Ga lekker zélf in je kracht staan; over de “ergste clichés op kantoor”. Zoals daar zijn: staand vergaderen, de flexplek, de customer journey, de start-up en agile werken (onbekende woorden graag zelf even opzoeken; de mij toegemeten 600 woorden zijn zomaar op). En dat had me behoorlijk wantrouwig gemaakt, alleen al vanwege de aanduiding van de bijeenkomst. 
Maar het viel mee; met mensen die op heel verschillende manieren met armoede en schulden te maken hebben, dachten we een lange middag in groepen na over manieren om te voorkomen dat mensen in de schulden komen en, als dat toch is gebeurd, over het wegnemen van obstakels in het proces van schuldhulpverlening. En daar kwamen hele zinnige ideeën uit (die mochten we pitchen; dat betekent: kort presenteren).

‘Hackatonnen’; dat zouden we in de kerk ook eens moeten doen, lijkt me. Want net als in de schuldhulpverlening, de zorg en het onderwijs, is ook de kerk vergeven van van de regeltjes en tradities (met een kleine t) die haar functioneren behoorlijk in de weg staan, zeker in een tijd van kerkverlating en groeiende financiële zorgen. Regels soms die ooit om begrijpelijke, maar soms ook om heel onduidelijke of aanvechtbare motieven zijn ingevoerd. En die haar dus verhinderen dat te doen waartoe zij op aarde is: zout en licht zijn.
Dat kán verassende, maar misschien ook wel pijnlijke uitkomsten opleveren; vooral als tijdens de hackaton de bijbel opengaat. 

Zo zou het interessant zijn om eens een hackaton te wagen aan de enorme last van gebouwen in het licht van het gegeven dat de Allerhoogste niet (meer) woont in wat men met mensenhanden is gemaakt’ (Hand. 7:48, 17:24) en het kerkgebouw dus niet, zoals de tempel, een ‘huis van God’ is. Of over de predikant, die in geen enkele lijst met gaven en bedieningen voorkomt (alleen de rondreizend prediker is zijn loon - bad, brood en bed - waard, Mt. 10:10). Het kan ook over de samenkomst van de gemeente gaan, waarin ‘ieder iets’ heeft; dat lijkt in 1 Kor. 14 toch echt over meer te gaan dan de koster die ‘kostert, de organist die speelt en het gemeentelid dat de schriftlezing doet. En met ‘sacramentsbevoegdheid’ tenslotte, leek men in de vroege kerk ook heel anders om te gaan dan bij ons; Jezus preekte bijvoorbeeld zelf, maar liet het dopen aan zijn nog-niet-afgestudeerde leerlingen over (Joh. 4:2). Boze tongen beweren zelfs dat de regel dat je predikant moet zijn om te mogen dopen of het Avondmaal te bedienen méér te maken heeft met de geclaimde beroepsbescherming van predikanten dan met de bijbelse gegevens.

Gelukkig is er in de nodige dossiers wel wat in beweging in ‘onze’ PKN. Weliswaar nog nog niet met hackatons, maar met commissies en uitvoerige rapporten en lange classis- en synodevergaderingen. Maar het besef dat men terug moet naar de basis, vanwege een krimpende kerk, maar hopelijk ook vanwege het besef dat al te vaak menselijke instellingen de komst van het Koninkrijk in de weg hebben gestaan, lijkt er te zijn. 

Geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 10,  nummer 5  d.d. 1 maart 2019


vrijdag 17 augustus 2018

Na ons de zondvloed....?!

Johan Huibers is een BCN-er; een - min of meer - Bekende Christelijke Nederlander. Hij was namelijk de man die twee keer de ark van Noach nabouwde; eerst op halve, daarna op ware grootte. Die laatste boot lag lange tijd in Dordrecht. Een orthodox christen dus, iemand die de bijbel letterlijk wil nemen en de bijbelse boodschap ook met anderen wil delen. 

Met zo iemand zou ik me erg verwant moeten voelen. Dat dat toch niet zo lukt, heeft te maken met zijn antwoord (in het Nederlands Dagblad van 14 juli j.l.). 
op de vraag ‘Wat moet er hoognodig aan uw gedrag veranderen om de aarde duurzamer te maken, en gaat u dat ook doen?’ Het antwoord van Huibers, kort samengevat: niks, en dus: nee. En hij noemt daarvoor twee argumenten: het helpt niet en het hoeft niet, want we leven in de eindtijd. Na ons de zondvloed!*

Voor dat eerste argument gebruikt hij een redenering die je veel hoort: er zijn altijd oorzaken voor de opwarming van de aarde die een grotere invloed hebben dan die waaraan ik bijdraag, en zolang dat zo is hoef ik mijn gedrag niet aan te passen. Huibers vliegt en rijdt dus gewoon door, omdat de smeltende toendra’s en veenbranden in Indonesië nog meer CO2 uitstoot veroorzaken. 
Ondertussen hoor ik hem niet zeggen dat abortus minder doden tot gevolg heeft dan kindersterfte door ziekten en honger in ontwikkelingslanden, dus dat we ons om de abortussen niet druk hoeven te maken. 

Maar Huibers vervolgt dan: ‘De noordpool smelt; dat doet God. In Jesaja staat al: de hemellichamen zullen wankelen, de aarde zal tollen als een dronkeman. We zijn er bijna, we leven in de eindtijd. Dat ga ik nog meemaken, zeker weten.’ In het denken van Huibers (en, helaas, veel christenen met hem) speelt de huidige aarde, de schepping van God, geen rol meer; er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, en de oude aarde verdwijnt in de verbrandingsoven. 
Maar dan zou het goed zijn als uitgerekend Huibers nog eens wat verder zou lezen over de zondvloed. Die wordt ook genoemd in 2 Petrus 3; daar wordt van de ‘toenmalige wereld’ gezegd dat die ‘vergaan is toen ze door het water werd overspoeld’ (vers 6).  Het staat er niet nadrukkelijk bij, maar voor zover ik weet heeft nog niemand ooit beweerd dat wat onder het water van de vloed vandaan kwam een spiksplinternieuwe aarde was. Het was de goede, de zeer goede schepping van God, gereinigd, gelouterd van alles wat niet naar de bedoeling van de Schepper was. Zou je dan het vergaan van de aarde door vuur ook niet zo moeten uitleggen: dat het vuur niet vernietigt, maar loutert. 

Seculiere milieuactivisten benadrukken dat we ‘geen planeet B’ hebben (en daarom dus heel zuinig moeten zijn op deze). Christenen hebben een heel andere toekomstverwachting, maar er zijn ook voldoende overeenkomsten  om samen op te trekken in de strijd tegen de vervuiling en opwarming; om te gaan voor duurzaamheid. Want als ik de bijbel goed begrijp is er inderdaad geen planeet B: óók voor onze planeet A geldt dat God die helemaal nieuw maakt.
In Romeinen 8 schrijft Paulus wat er is gebeurd met de schepping waardoor die nu ‘als in barensweeën zucht en lijdt’: ze is meegesleurd in de val van de mens. Maar ze ‘zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en (...) delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt’ (zie vers 19-22).  

Tot het zover is, blijft de opdracht om deze aarde, planeet A, niet alleen te bewerken maar ook de bewaren, onverminderd van kracht. 

Geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 9,  nummer 16  d.d. 17 augustus 2018

* In het ND van 1 februari 2019 schrijft Michel van der Hoiek over een 'evangelische christen' in Amerika die bewust niet aan afvalscheiding doet, want 'als het milieu daadwerkelijk verpest is, dan komt Jezus terug'. 




dinsdag 15 mei 2018

Andere talen en culturen ontmoeten: het kan ook zonder vliegtuig




De luchtvaart is volgens Bart Markerink een zegen (ND 8 mei). Op alle argumenten die hij daarvoor aanvoert is volgens mij het nodige af te dingen, maar ik wil me beperken tot de eerstgenoemde ‘zegen’. Hoewel ik mij zelf niet of nauwelijks per vliegmachien verplaats, meen ik toch wat vraagtekens te kunnen zetten bij de verbindende kracht van het vliegverkeer. Brengt vliegverkeer inderdaad mensen uit verschillende volkeren en culturen bij elkaar? En zijn er gaan andere en betere - goedkopere, milieuvriendelijkere en minder tijdrovende - manieren om dat doel te bereiken?

Er zijn ongetwijfeld mensen die op reis gaan om andere volkeren en culturen beter te leren kennen. Ze nemen daar dan de tijd voor en kiezen voor een reisbureau dat die ontmoeting met andere volkeren ook nadrukkelijk beoogt  en mogelijk maakt (of gaan op eigen houtje). Ze overnachten ook niet in een 4- of 5 sterrenhotel, maar ‘bij mensen thuis’. 
Maar als ik het goed begrijp, stappen de meeste mensen in een vliegtuig om even bij te kleuren aan een ver strand, in een paar dagen de hoogtepunten van een verre stad te zien of om een paar weken door te brengen op een camping of in een resort met voornamelijk of uitsluitend gasten uit hun eigen cultuur. Natuurlijk ontmoeten ze dan wel vertegenwoordigers uit de plaatselijke bevolking; die brengen hun drankjes en eten, of maken hun kamer en wc schoon. En voor zover er dan ontmoetingen zijn met de plaatselijk bevolking, krijgt dat heel makkelijk het karakter van aapjes kijken.

Maar wie zich wil verbinden met andere volkeren en culturen, heeft daarvoor nog veel andere manieren. Kijk bijvoorbeeld eerst eens rond in eigen dorp, wijk of stad. Grote kans dat daar minimaal één inwoner is uit zo’n ander volk of cultuur. Zelf woon ik tussen een groep Polen aan de ene kant en Turkse en , Bulgaarse gezinnen aan de andere. In mijn wijk leven mensen uit nog veel meer landen en culturen. Voor wie dat niet geldt, is er altijd de mogelijkheid in een wat minder bleke wijk te gaan wonen en/of zich te  melden als vrijwilliger bij een azc of Vluchtelingenwerk. 

Wie toch liever mensen uit andere volkeren en culturen in hun eigen omgeving ontmoet, is mijn advies: ga toch fietsen. Op europafietsers.nl staan veel tochten die je in alle hoeken van Europa brengen (veelal kun je die vanaf de eigen voordeur beginnen, anders zijn er waarschijnlijk wel treinen waarin de fiets mee mag). Er zijn ook heel veel mogelijkheden om fietstochten buiten Europa te maken; helaas zit daar dan meestal weer een vervuilende vliegreis aan vast (dus doe het dan niet ieder jaar twee of drie weken, maar bijvoorbeeld éénmaal in de vijf jaar voor twee of drie maanden; dan heb je waarschijnlijk een volk en cultuur écht ontmoet).  
Fietsvakanties: het is en blijft wel de manier om verbonden te worden met mensen uit andere volkeren en culturen: je ontmoet autochtonen aan wie je de weg vraagt, die je wat fruit verkopen uit hun winkeltje of stalletje. die onderdak voor je hebben of die zomaar een praatje willen maken. 

In aanloop naar Pinksteren nog een laatste advies: stap eens een kerkdienst binnen van mensen uit een andere cultuur. Want de Geest spreekt alle talen, en doet ons elkaar verstaan. 

In iets gewijzigde vorm geplaatst op de opiniepagina van het Nederlands Dagblad dd. 13 mei 2018 onder de titel Vliegen voor cultuur hoeft niet 

De uitvaart: het kan ook anders



In Gulliver van Goede Vrijdag j.l. (ND 30/3, p. 3) schrijft Arthur Alderliesten over de rouwdienst voor zijn oom met slechts ‘enkel tientallen grijze hoofden’. Mijn ervaring is dat het ook anders kan. Negatiever, soms. Dan komt een kerkelijke gemeente er middels een advertentie in een huis-aan-huis krant of via de aan GBA-gekoppelde  digitale kaartenbak achter dat een betrokken gemeentelid overleden is en inmiddels ‘in besloten kring begraven’ (of gecremeerd). De niet-betrokken nabestaanden hebben het niet de moeite gevonden de kerkelijke gemeente waar de overledene bij hoorde in te lichten, laat staan die bij de uitvaart te betrekken. Of ze wisten die gemeente niet te bereiken; dat komt ook nog voor.
Maar het kan ook positiever dan Alderliesten schetst. Dat maakte ik mee in het dorp in de Alblasserwaard waar ik ben geboren en opgegroeid en waar mijn moeder in 2013 werd begraven. 

Ze overleed in de zomer van 2013 op 88-jarige leeftijd. Daarvan was ze 17 jaar getrouwd en 44 jaar weduwe geweest. Toen haar dementie (te) problematisch werd, verhuisde ze naar de afdeling kleinschalig wonen van een verpleeghuis, twee dorpen verderop. De eerste jaren werd ze op zondagmorgen nog opgehaald voor de kerkdienst, maar de laatste jaren van haar leven kon dat niet meer. 
Na haar overlijden werd ze opgebaard in het huis van haar jongste zoon, het huis waar ze nog lange tijd had gewoond; aanvankelijk met 7 kinderen tussen de 1 1/2 en 16 jaar, én haar schoonvader. 
We besloten als kinderen de mensen die daar gebruik van wilden maken royaal de tijd te geven langs te komen  in die woning: zowel op vrijdagavond als zaterdag overdag. 
Het werden gouden tijden, op het gezellige af. Niet alleen familieleden, niet alleen mensen uit haar eigen kerk, maar het halve dorp kwam langs. En omdat er geen lange rijen stonden te wachten, was er alle tijd om herinneringen op te halen. 

Op de maandag erna werd - om in de bijbelse, ook door Alderliesten gebruikte, terminologie te blijven - haar lichaam gezaaid, in afwachting van het grote moment dat de bazuin klinkt en haar vergankelijke lichaam zal worden opgewekt in onvergankelijkheid. Het kerkje waar de dankdienst voor haar leven word gehouden, zat vol. Opnieuw: met familieleden, met mensen uit haar eigen kerk, maar ook met andere dorpsgenoten. We hebben de dienst afgesloten op de - pal naast de kerk gelegen - begraafplaats: na het dankgebed en de voorbeden zaaiden we daar het lichaam, en zongen het slotlied van de dienst: U zij de glorie. 

De uitvaart was dus niet op zondag. Eerlijk gezegd hebben we er als kinderen niet eens over nagedacht of dat zou kunnen. Waarschijnlijk is de verplichte aanwezigheid van een ambtenaar van de burgerlijke gemeente al een obstakel. Maar ik ben het wel helemaal met Arthur Alderliesten eens dat ook de begrafenis een zaak van de gemeenschap kan en mag zijn. 
Inderdaad, net als vreugdevolle gebeurtenissen. Een kerkenraad zou moeten weigeren om een huwelijksdienst in de loop van de middag te laten plaatsvinden, als heel veel leden van de gemeente op hun werk worden verwacht. Als men niet kiest voor een inzegening tijdens de reguliere samenkomst van de gemeente op zondagmorgen, zou het toch op z’n minst op een moment moeten zijn dat iedereen er ook bij kan zijn. En laat het aankomend bruidspaar dan niet op de kaart aangeven dat er eerst een dienst is en daarna - om zo en zo laat, in dat gebouw  - een feest, maar laat het aangeven dat het feest begint als de trouwdienst aanvangt. 
’s Avonds en op zondag begraven levert dan weer andere problemen op, maar misschien is de zaterdag een goed alternatief. 
Het kan ook anders dan het bij oom Alderliesten toeging. Op het dorp waar mijn moeder werd begraven functioneert in ieder geval de gemeenschap nog volop. En ik hoop en vermoed dat het voor meer plaatsen geldt. Nabestaanden hebben dit maar heel beperkt in de hand. Maar het lijkt me de moeite waard als kerkenraden ook in dit opzicht nadenken over de vraag hoe men de gemeenschap vorm wil geven.


Geplaatst op de opiniepagina van het Nederlands Dagblad dd. 9 april 2018 onder de titel Rouw en trouw met elkaar. 




vrijdag 19 januari 2018

Religiestress

De kwaal waart al veel langer rond in Nederland (en niet alleen daar), maar eind vorig jaar was er een vrij serieuze uitbraak in Rotterdam. Daar wilden Leefbaar Rotterdam en de VVD dat ‘religieuze groeperingen’ niet langer samen zouden mogen komen in buurtcentra. Want: scheiding tussen kerk en staat. Toen het op een stemming aankwam, bleken alleen deze twee partijden voor de maatregel te zijn, dus daar is de kou even uit de lucht. 

Het zou ook wel heel vreemd geweest zijn als juist in Rotterdam deze maatregel was doorgevoerd. Tijdens het onderzoek naar internationale kerken dat een paar jaar gelden in Dordt is uitgevoerd, werd Rotterdam juist vaak als lichtend voorbeeld genoemd. De organisatie SKIN (Samen Kerk in Nederland) schreef een tweetal rapporten waarin werd aangetoond hoe belangrijk die gemeenschappen zijn voor de multiculturele samenleving. Raadslid Setkin Sies (CU/SGP, indiener van de motie die de uitbraak van religiestress in Rotterdam indamde) betoogde dan ook: “Migrantenkerken zijn vaak goede voorbeelden van de door de overheid bepleite participatiesamenleving. Leden van die kerken komen bij elkaar om God te zoeken, van elkaar te leren, maar ook voor elkaar te zorgen. Vrijwilligerswerk bespaart de overheid jaarlijks vele miljoenen.” 
Het Rotterdamse stadsbestuur leek daar van doordrongen, maar kwam toch met dit voorstel; een voorstel dat inmiddels dus is afgestemd. 

Maar ondertussen is het virus wel met een gure noordwestenwind overgewaaid naar ons goede eiland. Want bij de komende gemeenteraadsverkiezingen op 21 maart kunnen we niet meer stemmen in drie ‘religieuze gebouwen’: de Maranathakerk, de Open Hof (van de Nederlands gereformeerden) en het gebouw van de Evangelische Gemeente Jozua. Eerder werden er al andere kerken én een moskee van de lijst geschrapt. Juni vorig jaar werd een voorstel in deze richting van Beter voor Dordt nog met royale cijfers weggestemd, maar nu is het besluit toch genomen. 
Frappant is dat er drie kerkgebouwen wel op de lijst met stemlokalen zijn blijven staan omdat er geen alternatief in de buurt is; dat heet opportunisme (“... handelen zonder rekening te houden met principes, alleen met de omstandigheden”).

Wie de actualiteit een beetje bijhoudt, kan vermoeden wat er echt aan de hand is. Sommige partijen voelen de hete adem in de nek van de uitgesproken anti-Islampartij PVV; die gaat zowel in Rotterdam als in Dordrecht mee doen aan de verkiezingen. Daarom is het voor 
anderen van belang te laten zien dat ze ook heus wel oog hebben voor de islamisering van ons land, en dat ook niet allemaal zomaar willen laten gebeuren.  Het gaat niet om de kerken, het gaat erom dat er misschien - zoals al eerder gebeurde - ook in een moskee gestemd kan worden. Maar dat kun je niet hardop zeggen, dus daarom moet het maar onder de noemer ‘religieuze groeperingen’. 

Ik denk dat partijen die de islam willen bestrijden door scheldpartijen, maar ook door maatregelen als deze, het paard achter de wagen spannen. Kort geleden kwam ik de bekende uitspraak van kerkvader Tertullianus (ca. 160 - 220) weer tegen; populair weergegeven: het bloed der martelaren is het zaad der kerk. Dat geldt waarschijnlijk ook voor moslims. Zij worden in ons land weliswaar niet bloedig vervolgd, maar ook zij zullen méér vastberaden hun geloof aanhangen naarmate zij zich meer buitengesloten voelen. Met andere woorden: de beste manier om de Islam te bestrijden is het - uiteraard binnen de wettelijke kaders - alle ruimte te geven. 
Voor kerken heeft dat ook uitstekend gewerkt; tegenover een vervolgde, maar stevige en groeiende kerk op het zuidelijk halfrond staat - gechargeerd - een verwaterde, leeglopende kerk in het vrije westen. 

Wat dunkt u: zullen we, nu het nog net kan,  op 21 maart allemaal in een religieus gebouw gaan stemmen, op een partij die niet aan religiestress lijdt?

Geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 9,  nummer 2  d.d. 19 januari 2018

dinsdag 24 oktober 2017

Diaconale dilemma’s

Arme mensen moet je helpen: hongerigen voeden, dorstigen te drinken geven, vreemdelingen huisvesten, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken. Jezus noemt deze zes werken van barmhartigheid  (in Mt. 25:31-46), en ‘Rome' voegde er nog een zevende aan toe: de doden begraven. Overduidelijk wat Jezus van zijn volgelingen verwacht. Maar soms is de toepassing wat lastiger. Diakenen, diaconieën en anderen die goed willen doen staan wel eens voor een dilemma. Ik noem er drie, in de hoop dat u mee wilt denken.

1. werkvakanties
U kent het concept: jongeren sparen een flink bedrag, al dan niet via sponsoring, en doen voor dat geld mee aan een diaconale werkvakanties. Ze gaan in een ver land bijvoorbeeld helpen om een schooltje te bouwen. Prachtig natuurlijk: dat er nog jongeren zijn die niet kiezen voor een strandvakantie maar zich in hun vrije tijd op deze manier inzetten voor hun naaste. Maar de afgelopen maand hoorde ik een directeur van een christelijke hulporganisatie die hier vraagtekens bij zette: wat doet het met het zelf respect van de mensen die op deze manier geholpen worden als er een groep middelbare scholieren voor hen een school of kerk komt bouwen. En hoe economisch is het; zou de klus niet veel beter en goedkoper geklaard kunnen worden als het geld van de reizen naar het land toe was gegaan en de mensen zelf het gebouw hadden neergezet. 
Er is wel een belangrijk tegenargument: jongeren komen anders terug van zo’n reis. Ze beschouwen onze welvaart niet meer als vanzelfsprekend en krijgen ook oog voor de nood in hun eigen stad. Dus een confrontatie met echte armoede is een goed ding. Maar misschien kan dat ook anders dan via een werkvakantie. 

2. hulpgoederen versturen
De dag nadat er een orkaan over de Antillen was geraasd, kwam er een Antilliaanse Rotterdammer - of Rotterdamse Antilliaan - in het nieuws die bezig was hulpgoederen te verzamelen om die naar de getroffen eilanden te versturen. Alles was welkom!  
Nu kan zo’n actie nuttig zijn als noodhulp, als er helemaal niks meer is of werkt in een rampgebied. Maar een ‘arm land’ waar wel (weer) het een en ander te koop is,  is natuurlijk veel beter geholpen met hulpgoederen die in het land zelf worden gekocht. Het scheelt een hoop verzendkosten, maar bovendien snijdt het mes dan aan twee kanten: de plaatselijke economie wordt gestimuleerd en dus helpt de hulpactie om het land weer, of méér, op eigen benen te laten staan. En dus om het moment aan te laten breken dat de hulp niet meer nodig is.   
Goederen inzamelen en (misschien wel zelf) wegbrengen is wellicht veel bevredigender voor de westerse ‘hulpverlener’; lekker concreet. En daarom levert het misschien ook wel meer op. Maar misschien zou de vraag waarmee ‘de ander’ het meest gebaat is toch voorop moeten staan. 

3. hongerigen voeden
De Voedselbank hanteert strenge criteria: méér leefgeld dan een heel klein beetje: dan geen voedselpakket. Anderen - zoals Broodnodig van de Dordtse Evangelisatie, het DAC en het inloophuis van De Hoop, - delen hun voedsel uit zonder te vragen naar het bestedingspatroon van de mensen die zich melden. Dagelijks Brood - óók DE - zit daar tussen in: die baseert zich op de diaken of hulpverlener die de persoon of het gezin aanmeldt. Maar wat als die een fors deel van het schamele inkomen van de hulpvrager besteed wordt aan sigaretten, alcohol of andere drugs? Of aan een duur telefoonabonnement. Of wat als de hulpvrager vindt dat de auto perse moet blijven, terwijl die niet echt nodig is. Van al die dingen kun je nog zeggen dat die persoon dat voor zichzelf doet. Maar het wordt al lastiger als hij of zij zich geroepen weet voor een stuk of 10 zwerfhonden of -katten te zorgen, en daardoor zichzelf tekort doet. En helemaal ingewikkeld wordt het als de hulpvrager maandelijks een bedrag overmaakt aan zijn familie, die in een ver Afrikaans land in armoede leeft. 

Dilemma’s: wie het weet mag het zeggen. 

Geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 8,  nummer 20  d.d. 20 oktober 2017