Posts tonen met het label Kruis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kruis. Alle posts tonen

donderdag 8 december 2016

Ten slotte: de Zoon

Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe .... (Matteüs 21:37a) 



Kerst, de komst van de Zoon van God naar deze wereld, komt niet uit de lucht vallen. Daar is heel wat aan voorafgegaan. Jezus vat het samen in de de eerste vier verzen van de gelijkenis. 
De toepassing is duidelijk: God de Vader schept een wereld die ‘zeer goed’ is, compleet ook, en geeft die in gebruik aan zijn schepselen. Daarbij worden afspraken gemaakt: de mensen mag die wereld bebouwen, hij mag ervan eten en genieten; maar hij heeft wel de opdracht  om die ook te bewaren of bewaken (Genesis 2:15). En daar gaat het mis. 
De gelijkenis van Jezus doet denken aan het begin van Jesaja 5, het lied van de wijngaard. Daar is het verwijt aan het volk Israel dat de vruchten van de wijngaard wrang zijn: geen recht maar onrecht, geen ‘rechtsbetrachtig’ maar ‘rechtsverkrachting’ (vs. 7b). 

Maar dan het onvoorstelbare: na twee groepen knechten die komen om de afgesproken pacht op te halen, maar die worden mishandeld of zelfs gedood - beeld van de profeten in het Oude Testament, de eerste groep wellicht van vóór de ballingschap, de tweede van erna - stuurt de landheer zijn zoon. Ontzettend naïef, zo lijkt het: “Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe, met de gedachte: Voor mijn zoon zullen ze wel ontzag hebben.” 
Niet dus: ook de zoon wordt gedood. Buiten de wijngaard; Jezus vertelt de gelijkenis net na zijn intocht in Jeruzalem, dus vlak vóór Hij zelf buiten Jeruzalem zal worden gekruisigd. 

Een naïeve landheer, een naïeve God? Toch niet: door heel het Nieuwe Testament wordt duidelijk dat aan deze beslissing van de Vader geen naïviteit ten grondslag ligt, maar liefde, onmetelijke liefde. 
Marcus (12:1 vv.) en Lucas (20:9 vv.) vertellen de gelijkenis ook; daar wordt de uitdrukking ‘geliefde zoon’ gebruikt.  Het zijn woorden die tweemaal vanuit de hemel klinken om Jezus aan te duiden, eerst direct na zijn doop (Mt. 3:17) en later bij de verheerlijken op de berg (Mt. 17:5): “Dit is mijn gelieve Zoon, in hem vind ik vreugde.” Deze geliefde Zoon offert de vader op, om zo de achterstallige pacht te voldoen. Aan het kruis!

“Er straalt geen zacht ligt om de kribbe. De vleeswording des Woords betekent, dat nu het uur van de laatste beslissing geslagen heeft. Dit is Gods laatste aanbod” (Dr. A. van Haarlem); zie het vervolg van Mt. 21. Maar dat aanbod is er wel; God stelt de komst van het oordeel uit, omdat Hij redding wil, voor al zijn schepselen. Deze Kerst is een nieuwe kans om dat genadige aanbod te aanvaarden. 

Geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 7,  nummer 24  d.d. 16 december 2016

dinsdag 24 september 2013

Het lijden van Jezus RECHT BETRACHTEN - hoe doe je dat?


… de straf die ons de vrede aanbrengt, was op hem …
(Jesaja 53:5c, SV, NBG en Naardense Bijbel)



Voor mij ligt een (scheurkalender) voor de Veertigdagentijd met als titel: ‘Recycle your mind: Anders denken, anders leven’ en als nadere aanduiding: ‘40 dagen vasten voor een duurzame levensstijl’. De periode van bezinning en vasten, waarin het lijden van Christus centraal staat, wordt dus gekoppeld aan vasten om je te bezinnen op een andere levensstijl: minder consumptief, minder vervuilend, minder onrechtvaardig. En dat is - voluit - een goede zaak! Want we zitten nogal aan wat zaken vast.

En toch, en toch: is dat nou het lijden van Jezus ‘recht betrachten’ (in wat eigentijdser Nederlands: het lijden van Jezus op een goede manier in acht nemen, recht doen).  Want daar bidden we om met Gezang 177 uit het Liedboek voor de Kerken: ‘Leer mij, o Heer, uw lijden recht betrachten’. Heb ik Zijn lijden recht gedaan met een tandje minder consumeren, of gaat het (ook) om iets anders?



Voorop staat, en voorop gaat dat Jezus lijdt en dat dat nodig is voor mijn behoud. In het overbekende Jesaja 53 is dat de boodschap. Het gaat daar om mijn ziekte, mijn zonde, mijn wandaden, mijn afdwalen, én om de oplossing, mijn welzijn, mijn genezing, mijn vrede. En het gaat om de prijs die de ‘lijdende dienaar van de HEER’ daarvoor moest betalen: zijn lijden, zijn verstoten, getuchtigd en doorboord worden, zijn striemen. Om de straf die Hij droeg voor mijn zonde, mijn schuld.



Dat lijden hoef ik niet over te doen. Maar als ik het ‘recht betracht’, kan het niet anders of het brengt me tot een andere houding, een ander gedrag. Tegenover God, tegenover mijn naaste (lees – bijvoorbeeld – nog eens de vermaningen die Paulus geeft Romeinen 12 ‘met een beroep op de barmhartigheden Gods’; met die uitdrukking grijpt hij ook terug op wat Jezus deed voor schuldige mensen, zie Rom. 3) en ook tegenover Gods goede schepping. Ook in de manier waarop in consumeer, of liever: ‘consuminder’. 



Of, met het voorlaatste vers van het gezang waar ik mee begon (177:6):



Daar Ge U voor mij hebt in de dood gegeven

Hoe zou ik naar mijn eigen wil nog leven?

Zou ik aan U voor zulk een bitter lijden

Mijn hart niet wijden?

Meditatie in het kerkblad Kerk op Dordt, jaargang 1 nr. 5, 5 maart 2010

woensdag 14 augustus 2013

Ik wil begraven worden


Begrijpt u alstublieft niet verkeerd: ik heb het prima naar m’n zin, ik ben NIET levensmoe en ik verlang er niet naar zo spoedig mogelijk dood en begraven te zijn
Maar – tenzij de Jezus vóór die tijd  terugkomt – er komt wel een moment dat ik overlijd. En als dat dan nog mogelijk én betaalbaar is, en mijn nabestaanden er nog wat over te zeggen hebben, dan wil ik begraven worden – en dus niet gecremeerd. Ik zal u uitleggen waarom. Het heeft met Pasen te maken, en met de Wederkomst.



begraven of cremeren

In ons land zijn dat de twee opties: begraven en cremeren. Bij ons vallen water en lucht af als mogelijkheden voor ‘lijkbezorging’: wij laten geen lichamen afdrijven op zee of op een rivier en wij leggen ze ook niet ten prooi voor hyena’s en gieren. In andere culturen kwam of komt dit wel voor.  Maar bij ons blijven alleen de twee andere elementen, aarde en vuur, over. Tot het begin van de 20e eeuw was in Nederland begraven regel en cremeren, verbranden, uitzondering;  alleen ketters en heksen werden verbrand.  Langzamerhand veranderde dat en in 1913 werd het eerste Nederlandse crematorium geopend.

De voorstanders van crematie hadden een aantal heldere argumenten: cremeren is schoner (geen gevaar voor verontreinigd drinkwater bijvoorbeeld), voordelig(er), het kost geen ruimte en je lichaam gaat niet langzaam tot ontbinding en verrotting over.

Maar voor christenen was cremeren lange tijd geen optie en in veel kerken is het dat nog steeds niet. De argumenten vóór crematie, zo redeneren zij,  zijn aanvechtbaar  en de kosten zouden nooit de doorslag mogen geven. Maar er zijn ook tegenargumenten te noemen: omdat het volk Israël haar doden begroef en ook Jezus werd begraven, zouden christenen dit voorbeeld moeten volgen. Maar het belangrijkste motief om te kiezen voor begraven is het verband tussen begraven worden en de opstanding; de opstanding van Jezus én de opstanding van de doden.



1 Korinthe 15

1 Kor. 15 is een lang hoofdstuk over de opstanding. Paulus verzet zich tegen de mensen die de lichamelijke opstanding van Jezus ontkennen. Als die gelijk hebben, zo betoogt hij, dan kunnen we de tent wel sluiten; dan is het allemaal “zonder inhoud” en dan zijn christenen de meest beklagenswaardige mensen ter wereld.  Maar, zo gaat hij verder (in vers 20): Christus is opgewekt uit de doden. Hij is waarlijk, werkelijk, écht opgestaan.

En omdat dat zo is, hebben zijn volgelingen ook alle reden uit te zien naar de opstanding der doden, de opstanding van het lichaam. Want Christus stond op als eersteling, als eerste in een lange rij. De lange rij namelijk van hen die door het geloof bij Hem horen. Ook hun lichaam zal bij Zijn Wederkomst worden opgewekt, terugkeren uit het graf.



het zaad en het opstandingslichaam

In het slot van het hoofdstuk gebruikt Paulus dan het beeld van het zaad. Daar is een lichaam dat begraven wordt  mee te vergelijken. Zo’n lichaam is geen ‘stoffelijk overschot’, maar een zaad. Niet voor niets heet een begraafplaats wel een doden-akker.
Bij zaad is er aan de ene kant sprake van continuïteit  en aan de andere kant van discontinuïteit. Voor wie niet van moeilijke woorden houdt: van overeenkomst en verschil.
Overeenkomst is er tussen het zaad en wat er op komt. Wie bonen zaait, mag verwachten dat er ook bonen opkomen. Zo is er ook overeenkomst tussen het lichaam dat begraven wordt en het lichaam dat bij de Wederkomst zal worden opgewekt. Op de een of andere manier zal dat herkenbaar zijn als mijn  lichaam. Mijn lichaam is niet het zaad voor iets of iemand die op geen enkele manier meer herkenbaar is. IK word opgewekt.
Maar tegelijkertijd is er ook een groot verschil. Want het zaadje dat in de aarde wordt gestopt, gaat tot ontbinding over. Wie dat na een paar weken weer opgraaft, komt weinig fraais tegen. Maar dit proces heet ‘ontkiemen’; het is nodig om het zaadje vrucht te laten dragen.
Hetzelfde geldt voor het lichaam dat wordt begraven. Soms is het dan al ernstig aangetast. Door ziekte bijvoorbeeld – wie ooit iemand heeft zien wegteren op een sterfbed, met een lichaam dat stukje bij beetje wordt afgebroken, weet wat ik bedoel – en door zonde. Maar, schrijft Paulus: er wordt gezaaid in oneer, vergankelijkheid, zwakheid, maar opgewekt (geoogst) in eer, onvergankelijkheid en kracht. Met andere woorden: alles wat aan het gezaaide lichaam gebrekkig, onvolmaakt, ziek en zondig was, is er bij het opstandinglichaam niet meer.



Ik wil begraven worden

Ik wil dus begraven worden. Niet omdat ik geloof dat God met lege handen staat als mijn lichaam verbrand zou worden. Want dan zouden de gelovigen wiens lichaam in de Tweede Wereldoorlog werd verbrand in de gasoven van een concentratiekamp, de boot missen. En de mensen die omkwamen onder de smeulende puinhopen van de Twin Towers in New York en van wiens lichaam helemaal niets werd terug gevonden,  evenzeer. Dat kan mij ook overkomen. Het kan ook dat we in dit land nog eens zo paars worden, dat begraven verboden wordt. Of dat het onbetaalbaar wordt. Dan is er geen reden om in paniek te raken.

Maar als het even kan, wil ik begraven worden. Echt begraven, als het kan en niet alleen maar afgeleverd bij het graf, omdat het laten zakken van de kist zo eng is. Echt begraven hoort bij het proces van rouwverwerking, maar het is op zichzelf ook al een preek. De preek namelijk waar het hierboven over gaat. Het lichaam, mijn lichaam wordt gezaaid. In het graf gaat het tot ontbinding over. Inderdaad, het verrot. Maar daarmee is het ook een zaad voor het opstandinglichaam. En op de dag dat de bazuin klinkt en Jezus terugkomt, worden de doden opgewekt. Maarten Luther stelde zich voor hoe er dan op zijn grafsteen geklopt zou worden en de Heer zou roepen: “Maarten, kom er maar uit; het is zover”.



Pasen

Binnenkort viert de gemeente van de Here Jezus Christus het Paasfeest. Jezus is opgestaan uit de dood; Zijn lichaam, dat na de Zijn vreselijke dood aan het kruis in een graf was gelegd, is daar niet meer. Zijn vrienden ontmoeten hem in de dagen daarna verschillende keren. Aan de ene kant is Hij anders; Hij komt nu zomaar door gesloten deuren en verdwijnt ook zomaar weer. Hij zegt ook: ”Raak Mij niet aan”, terwijl Hij daar eerder nooit moeilijk over deed. Schijnbaar is Zijn lichaam veranderd.
Aan de andere kant is Hij ook helemaal herkenbaar. de spijkergaten in Zijn handen en de wond van de speer in Zijn zijde zijn er bijvoorbeeld nog. Ook bij Jezus is er sprake van verschil en overeenkomst.

Maar met Pasen gaat het niet alleen over de opstanding van Jezus. Het gaat ook over mijn opstanding. Want – het staat er al eerder – Hij stond op als eersteling. Voor al die anderen – voor allen die door het geloof met Hem verbonden zijn - overwon Hij de dood. Straks, bij Zijn komst, zal dat blijken. En daarom, zo besluit Paulus het lange hoofdstuk 1 Kor;l 15, daarom is mijn leven en mijn werken niet ijdel, niet zinloos “in de Here”. Er is perspectief, ook nu.

En omdat ik dat geloof, wil ik begraven worden.
                                                                                             
Meditatie in het wijkblad van de Hervormde wijkgemeente Krispijn, maart 2002