Posts tonen met het label Meditatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Meditatie. Alle posts tonen

donderdag 7 september 2017

Waar bleef Jesaja 53?



Maar Hij is om onze overtredingen verwond,
om onze ongerechtigheden verbrijzeld.
De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem,
en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.
Jesaja 53:5 (HSV)

Eerst kreeg ik van iemand een link naar een youtube-filmpje waarin een jonge, messias-belijdende jood zijn landgenoten attent maakte op het feit dat in het leesrooster van de synagoge Jesaja 53 was verdwenen. Zeer aanvechtbaar, maar vanuit joods gezichtspunt wel te begrijpen.
Maar recent ontdekte ik dat er nota bene in het nieuwe Dienstboek van onze eigen PKN het “Rooster van lezingen bij het dagelijks gebed” het hoofdstuk ook ontbreekt; in de vierde week na Epifanie springt het van Jes. 52:1-12 op dinsdag naar 54:1-13 op woensdag.
En nu vraag ik me maar steeds af wat daarvan de reden kan zijn. Heeft de persoon die het rooster samenstelde even zitten suffen? Is het dezelfde eerbied voor het joodse volk, die ons in de kerk ook deed besluiten de naam waarmee God zich bekend maakte aan Mozes, Jahweh, niet te schrijven en uit te spreken? Of zit er toch iets anders achter: leeft  misschien de ergernis over het kruis óók in de kerk? Paulus schrijft er over in 1 Kor. 1: de gekruisigde Christus is voor Joden aanstootgevend, voor heidenen een dwaasheid. Maar in de kerk leven we ervan: het is Gods kracht en wijsheid.

Want Jesaja 53 gaat wel ergens over. Filippus gebruikt het als uitgangspunt om aan de eunuch uit Ethiopië Jezus te verkondigen (Handelingen 8:26-40).  Ongetwijfeld heeft hij daarbij óók verteld van de vreselijke lijdensweg die Jezus moest gaan, en dat daarin de schriften werden vervuld. Hij heeft met de eunuch gesproken over de offerdienst van zijn volk, en over plaatsvervanging: hoe Jezus als het Lam van God dat het definitieve offer bracht aan het kruis, om te betalen voor de schuld van mensen. Oók voor heidenen, zelfs voor gecastreerde heidenen: toen de eunuch was gedoopt en vol blijdschap zijn weg vervolgde, heeft hij misschien verder gelezen in de boekrol die hij had gekocht. Dan is zijn blijdschap alleen maar groter geworden toen hij een paar hoofdstukken verder de geweldige beloften las voor mensen als hij (zie Jesaja 56: 3-5).


Als u dit kerkblad ontvangt, is in de ene wijkgemeente de eerste lijdenszondag al achter de rug, maar zijn in de andere eveneens de 40-dagen voor Pasen begonnen. We mogen ons allemaal opnieuw verwonderen over het grote wonder van Gods barmhartigheid in Jezus Christus; laat u dat niet afpakken.

Geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 8,  nummer 5  d.d. 3 maart 2017

donderdag 8 december 2016

Ten slotte: de Zoon

Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe .... (Matteüs 21:37a) 



Kerst, de komst van de Zoon van God naar deze wereld, komt niet uit de lucht vallen. Daar is heel wat aan voorafgegaan. Jezus vat het samen in de de eerste vier verzen van de gelijkenis. 
De toepassing is duidelijk: God de Vader schept een wereld die ‘zeer goed’ is, compleet ook, en geeft die in gebruik aan zijn schepselen. Daarbij worden afspraken gemaakt: de mensen mag die wereld bebouwen, hij mag ervan eten en genieten; maar hij heeft wel de opdracht  om die ook te bewaren of bewaken (Genesis 2:15). En daar gaat het mis. 
De gelijkenis van Jezus doet denken aan het begin van Jesaja 5, het lied van de wijngaard. Daar is het verwijt aan het volk Israel dat de vruchten van de wijngaard wrang zijn: geen recht maar onrecht, geen ‘rechtsbetrachtig’ maar ‘rechtsverkrachting’ (vs. 7b). 

Maar dan het onvoorstelbare: na twee groepen knechten die komen om de afgesproken pacht op te halen, maar die worden mishandeld of zelfs gedood - beeld van de profeten in het Oude Testament, de eerste groep wellicht van vóór de ballingschap, de tweede van erna - stuurt de landheer zijn zoon. Ontzettend naïef, zo lijkt het: “Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe, met de gedachte: Voor mijn zoon zullen ze wel ontzag hebben.” 
Niet dus: ook de zoon wordt gedood. Buiten de wijngaard; Jezus vertelt de gelijkenis net na zijn intocht in Jeruzalem, dus vlak vóór Hij zelf buiten Jeruzalem zal worden gekruisigd. 

Een naïeve landheer, een naïeve God? Toch niet: door heel het Nieuwe Testament wordt duidelijk dat aan deze beslissing van de Vader geen naïviteit ten grondslag ligt, maar liefde, onmetelijke liefde. 
Marcus (12:1 vv.) en Lucas (20:9 vv.) vertellen de gelijkenis ook; daar wordt de uitdrukking ‘geliefde zoon’ gebruikt.  Het zijn woorden die tweemaal vanuit de hemel klinken om Jezus aan te duiden, eerst direct na zijn doop (Mt. 3:17) en later bij de verheerlijken op de berg (Mt. 17:5): “Dit is mijn gelieve Zoon, in hem vind ik vreugde.” Deze geliefde Zoon offert de vader op, om zo de achterstallige pacht te voldoen. Aan het kruis!

“Er straalt geen zacht ligt om de kribbe. De vleeswording des Woords betekent, dat nu het uur van de laatste beslissing geslagen heeft. Dit is Gods laatste aanbod” (Dr. A. van Haarlem); zie het vervolg van Mt. 21. Maar dat aanbod is er wel; God stelt de komst van het oordeel uit, omdat Hij redding wil, voor al zijn schepselen. Deze Kerst is een nieuwe kans om dat genadige aanbod te aanvaarden. 

Geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 7,  nummer 24  d.d. 16 december 2016

maandag 7 maart 2016

Je wordt er altijd beter van

Het gelovige gebed zal de zieke redden, en de Heer zal hem laten opstaan. 
(Jakobus 5: 15a)

We hadden het al eens aangeboden in onze wijkgemeente: ziekenzalving, zoals Jakobus daar aan het slot van zijn brief over schrijft. Dat was in de tijd dat Janneke Vlot uit Bleskensgraaf werd genezen van posttraumatische dystrofie. Naar aanleiding van deze gebeurtenis hielden we een leerhuis en besloten we als kerkenraad dat we verzoeken om ziekenzalving graag wilden honoreren. Daar werd jaren geen gebruik van gemaakt, tot eind vorig jaar een jonge vrouw uit de wijkgemeente dat wel deed.

Nu is gebedsgenezing een onderwerp waarover in kerkelijke kring de wegen behoorlijk uiteen gaan. Rooms Katholieken maakten er een sacrament voor stervenden van, het laatst oliesel.  Sommige gebedsgenezers maakten velen huiverig (en afkerig) omdat zij zieken die niet genazen op hun gebed verweten dat ze te weinig geloof hadden (dat terwijl Jezus in Mt. 17:14-20  de ‘genezers’ hun ongeloof verwijt, niet de zieke jongen of zijn vader) of die zieken afraadden of verboden een arts te raadplegen.
Voor veel anderen speelt het onderwerp helemaal geen rol (meer); orthodoxen twijfelen er niet aan dat Jezus en de apostelen indertijd wonderen hebben verricht, maar stellen dat dat niet meer hoefde, en dus ook niet meer gebeurde, toen de bijbel klaar was; vóór die tijd was het nodig om de heidenen te overtuigen. Aan de ander kant van de kerk worden wonderverhalen ontmythologiseerd: ze hebben wel betekenis, maar moeten vooral niet letterlijk gelezen worden.

De verzen kunnen inderdaad veel vragen oproepen: over genezing en geloof, genezing en zonde, over de ‘aard’ en functie van de zalfolie, over van alles en nog wat. En pastoraal zit er ook heel veel aan vast: wat als iemand niet geneest, toch sterft?
Maar misschien moeten we maar gewoon gehoorzaam zijn: zingen als je vrolijk bent, bidden als je het moeilijk hebt en de oudsten van de gemeerde roepen als je ziek bent, om die voor je te laten bidden en je met olie zalven. En misschien moeten die oudsten dat dan maar gewoon doen, óók als ze veel vragen hebben.

Je wordt er altijd beter van, zei iemand over ziekenzalving. Dat kan wat vrijblijvend klinken: er zijn ook mensen die ontzettend opknappen van een flesje gekleurd water. Maar tegelijkertijd blijkt het ook erg waar te zijn: soms doordat de zieke op een wonderbaarlijke manier geneest, soms ook doordat die in volle vrede en/of zonder pijn sterft. Niet iedereen staat op van zijn bed, óók niet in de bijbelse tijd. Maar het gelovige gebed zorgt wel voor redding; soms van de dood, soms door de dood heen.

Geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 7,  nummer 3  d.d. 5 februari 2016



vrijdag 4 september 2015

Dus ... geniet!

Dus eet je brood met vreugde, drink met een vrolijk hart je wijn. God ziet alles wat je doet allang met welbehagen aan.  Draag altijd vrolijke kleren, kies een feestelijke geur. Geniet van het leven met de vrouw die je bemint. Geniet op alle dagen van je leven, die God je heeft gegeven. Het bestaan is leeg en vluchtig en je zwoegt en zwoegt onder de zon, dus geniet op elke dag. Het is het loon dat God je heeft gegeven. 
Prediker 9:7-9

Als iemand ’dus’ schrijft, verwacht je dat er een logische conclusie volgt: roken is heel slecht voor je gezondheid, dus daar kun je beter zo snel mogelijk mee ophouden! Maar in Prediker 9 lijkt iedere logica zoek. In de eerste zes verzen van het hoofdstuk heeft de schrijver betoogd dat ieder mens hetzelfde lot treft - zo staat het ook letterlijk in vers 3 - het maakt niet uit of je al dan niet rechtvaardig bent.
Als je dat concludeert, ligt het voor de hand te vervolgen met de woorden waarmee het bijbelboek begint: ijdelheid der ijdelheden, het is allemaal ijdelheid (ofwel, met de NBV: allemaal lucht en leegte). Allemaal zinloos.
Maar dat doet Prediker niet. Heel verrassend gaat hij verder met het advies om volop te genieten van het leven. En dan niet vanuit al die het negatieve Geniet van ’t leven, het duurt maar even, maar in het geloof dat de goede dingen in het leven van God komen. Leven in het besef van de naderende dood moet niet leiden tot droefheid daarover, maar tot vreugde over het huidige leven.

Nu stammen de meeste leden van de PKN, en dus de meeste lezers van dit kerkblad, van  het calvinistische deel van de Reformatie, en die worden geacht vooral sober en matig te zijn; genieten scoort niet echt hoog op de lijst met christelijke deugden. Tot hun troost kan worden gemeld dat ook Prediker het hier niet heeft over een leven waarin alle remmen los gaan; hij sluit zijn boek ook af met de conclusie dat God oordeelt over elke daad en ieder dus dient te leven in ontzag voor God en gehoorzaamheid aan Zijn geboden. Maar dat sluit niet uit dat iedereen het gewone leven mag genieten als een gave van God.

Jochem Douma noemt de verzen over genieten een oase in de woestijn. Of eigenlijk: niet meer dan een oase in de woestijn. Over die woestijn heeft Prediker het uitvoerig gehad. Als rijke koning met een fors harem had hij alles waarvan veel mensen denken dat daarin het geluk te vinden is: bezit, macht, vrouwen (ofwel: gold, glory and girls). Maar de les die hij leerde is dat dat allemaal ijdelheid, allemaal lucht en leegte is. Toch brengt dat hem er niet toe dan maar voor de trein te springen. Integendeel: al bevind je je in de woestijn, dan hoeft dat geen verhindering te zijn om de weldaden van de oase volop te vieren en te genieten, als gave van God. Oók na de vakantie.

Geplaatst  in Kerk op Dordt jaargang 6, nummer17  d.d. 10 april 2015

woensdag 1 april 2015

Als de graven openbreken ...



De graven werden geopend en en de lichamen van veel gestorven heiligen werden tot leven gewekt (Mattteüs 27:52)
Wanneer de bazuin weerklinkt, zullen de doden worden opgewekt met een overgankelijk lichaam .... (1 Kor. 15:52)

Op de een of andere manier ben ik een jaar of 20 geleden in het bezit geraakt van een boek uit 1927, Licht uit de graven van ds. J.J. Knap Czn. De ondertitel van het boek luidt Bijbellezingen over de doodenopwekkingen in het Nieuwe Testament. De schrijver wijdt 12 lezingen aan de opwekking van Lazarus, en steeds twee aan de zoon van de weduwe in Naïn, het dochtertje van Jaïrus en Tabitha of Dorcas; Eutychus tenslotte, de jongeman die overleed na een val uit het raam van de samenkomst-bovenzaal (omdat hij in slaap was gesukkeld, Handelingen 20:7-12) moet het met één hoofdstuk stellen.
Wat dan opvalt is dat Knap met geen woord rept over de collectieve dodenopwekking waar Matteüs over schrijft. Op de middag van de Goede Vrijdag, op het moment dat Jezus sterft, gebeuren er elders twee bijzondere dingen:
  • het voorhangsel in de tempel scheurt; de weg naar God, afgesloten na de zondeval, is weer open (zie de Hebreeën 10:19 en 20)
  • buiten de stad worden ”veel gestorven heiligen” tot leven gewekt. Zij wachten keurig hun beurt af: ze blijven wachten tot zondagmorgen, als Jezus is opgestaan; dan pas vertonen ze zich in de stad.
Knap is niet de enige bij wie dit laatste aspect van het Paasevangelie ontbreekt; in de klassieke kinderbijbels wordt het gescheurde voorhangsel veelal wel genoemd, maar de opwekking van de doden niet. Zelf kreeg ik het in vele jaren bijbelvertellingen en preken ook niet mee. Maar daarom hoort het er nog wel helemaal bij.

Het bijbelgedeelte laat veel vragen open: wie waren deze gestorven heiligen, wanneer leefden en stierven ze, en in wat voor soort lichaam verschenen ze. Maar de boodschap is duidelijk. Toen Jezus stierf aan het kruis, was het écht allemaal volbracht. Niet alleen was er betaald voor de schuld, voor de zonde, maar de Heer overwon toen ook de macht van de dood. En 1 Korintiërs 15 laat zien dat deze dodenopwekking een teken is, dat verwijst naar Gods toekomst; net zoals de genezingen die Jezus verrichtte, en de 600 liter hele beste wijn, waarmee Hij een bruiloft redde, dat waren. Als straks de bazuin klinkt,  vindt er een nog veel grotere dodenopwekking plaats, wereldwijd. Wat gezaaid werd in vergankelijkheid en oneer, wordt door de Heer opgewekt in onvergankelijkheid en eer. In een wereld vol dood en verderf, pijn en verdriet blijven we belijden en geloven in een opgestane Heer, én in de  ’opstanding des vlezes’.

Geplaatst  in Kerk op Dordt jaargang 6, nummer 8  d.d. 10 april 2015.

donderdag 9 januari 2014

Korte preek



Vandaag hebben jullie deze schrifttekst in vervulling horen gaan.
Lucas 4;21

De preek die Jezus hield in Nazareth telt in de grondtekst en in de meest gangbare vertalingen niet meer dan tien woorden.  Goed, er komt wel een vervolg, maar dat is naar aanleiding van reacties van de hoorders. De synagogediensten waarin Jezus het woord voerde, waren kennelijk wat interactiever dan onze kerkdiensten.
Maar ondertussen was de preek wel heel erg veelzeggend en werken ze ook wat uit. Er is aanvankelijk instemming, en na de toelichting in de verzen 23 tot en met 27, grote woede en zelfs een poging op de voorganger van die morgen te liquideren.

Jezus kreeg de boekrol van Jesaja overhandigd en las het begin van wat later het 61e hoofdstuk zou worden. In dat gedeelte van het boek wordt het volk, dat berooid is teruggekeerd uit de ballingschap, moed ingesproken; de profeet is gezalfd met de Geest van God “om verslagen harten hoop te bieden”.  Maar dat goede nieuws wordt ook heel concreet: het gaat om vrijlating voor gevangenen en onderdrukten en om blinden die weer kunnen zien. En dan komt Jezus en zegt: het is zover. Vandaag hebben jullie deze schrifttekst in vervulling horen gaan. Met andere woorden: Ik ben de vervulling van deze profetie. Met zijn komst is er wezenlijk iets veranderd, is er toekomst, is er hoop voor eenieder die het uit zijn handen wil ontvangen. En in zijn spreken en handelen zien we het werkelijkheid worden: zieken worden genezen, blinden, zien weer, bezetenen worden bevrijd en schuldige mensen mogen vrij ademhalen omdat hen vrijspraak wordt aangezegd.

Maar ook (zelfs) in Jezus tijd werd het niet altijd en overal zichtbaar. Niet bij Johannes de Doper, bijvoorbeeld. Toen hij gevangen werd genomen door Herodes, liet hij aan Jezus vragen:”Bent u degenen die komen zou of moeten we een ander verwachten?” Jezus wijst ook hem op Jesaja 61: vertel Johannes maar dat het allemaal gebeurt: zieken worden genezen, blinden gaan weer zien (Lucas 7:18-23). Alleen de woorden over de gevangenen die worden losgelaten, ontbreken dan in het antwoord. En voor Johannes komt er ook geen vrijlating aan deze kant van het graf: hij wordt onthoofd.

Er is iets wezenlijks veranderd toen Jezus mens werd. Soms wordt het nu al zichtbaar, soms ook niet. Maar we mogen uitzien naar, en bidden om de tekenen van het Koninkrijk, hier en nu, en naar de definitieve doorbraak: Uw Koninkrijk kome.

 Meditatie in het kerkblad Kerk op Dordt, jaargang 5, nr. 2,  17 januari 2014

dinsdag 24 september 2013

SCANDERENDE SOLDATEN in Beth’lems dreven


… een grote hemelse legermacht, die God loofde, zeggende: Ere zij God ….   
(Lucas 2: 13, 14, NBG)

“Ik laat ze lekker doorzingen, hoor”. Dat zie een vrouw bij de uitgang van de kerk waar ik had gepreekt over bovenstaande woorden.
Tja, dat mag natuurlijk, zeker in onze tolerante maatschappij. Maar misschien zegt het wel iets, of veel,  over het gevaar dat ons in de kerk met Kerst bedreigt. Het gevaar namelijk dat we blijven steken in de romantiek die er rondom dit feest hangt. Een romantiek die ook nog eens werd en wordt gevoed door kinderbijbels en kerstliederen: O Kindeke klein, o Kindeke teer; een schone, stille nacht, de herdertjes die bij nachte lagen nadat ze hun schaapjes geteld hadden, en niet in de laatste plaats dat massale koor dat de herdertjes kwam verrassen met een prachtig concert. Een lied dat spreekt van vrede op aarde: wat wil een mens nog meer, zeker in december.

Maar de engelen zingen niet, ze spreken. Ze vormen ook geen koor, maar een leger; een ‘grote hemelse legermacht’. Misschien kun je de manier waarop ze zich uiten het beste vertalen met ‘scanderen’; dat is het roepen van een menigte die iets gedaan wil krijgen van de machthebbers, of van  het publiek op een voetbaltribune dat de naam van zijn held roept, scandeert, om hem te eren en bedanken, of die minder fraaie uitdrukkingen blijft roepen over de tegenstander.

Hier zijn het soldaten die lof brengen aan hun hoogste Koning: Eer aan God!  Want de Koning heeft de tegenaanval ingezet; de strijd gaat beginnen. Het was en is Zijn wereld; hij heeft haar gemaakt en Hij heeft er dus recht op. Maar de tegenstander – niet een ‘tegengod’, maar een opstandige generaal –  heeft een voet tussen de deur gekregen en de macht naar zich toegetrokken. In het Johannes-evangelie wordt de satan een paar keer de ‘overste’ of de ‘heerser van de deze wereld’ genoemd (12:31, 14:30); hij oefent zijn macht uit.

Maar als Jezus wordt geboren, als God mens wordt in Zijn Zoon, zet Hij daarmee de tegenaanval in: God wil Zijn wereld terug ! Hij wil haar weer maken zoals Hij heeft bedoeld. In het slot van Openbaring wordt zichtbaar hoe dat is; aan de oude Johannes laat God het vast zien in een visioen. Kerst is een oorlogsverklaring aan het rijk en de vorst der duisternis; aan satan en z’n trawanten, de demonen. En de Vredevorst, zo laat het gedeelte over de herders zien, wordt terzijde gestaan door een geweldig leger van engelen die hun Koning en aanvoerder terzijde staan en ondersteunen. Maar eerst brengen ze Hem een eerbetoon als ze roepen: Eer aan God.

In het kerstverhaal zijn de engelen vooral boodschappers, herauten. Als de eerste grote aanval komt uit het rijk der duisternis – de kindermoord – zijn het engelen die door hun waarschuwing ervoor zorgen dat hun Koning niet het slachtoffer wordt. Na de verzoeking in de woestijn, als Jezus de volgende aanval heeft afgeslagen,  staan de engelen gereed om voor Hem te zorgen (Mt. 4:31). Na hun rol op de Paaszondag spelen engelen opnieuw een rol als Gods gemeente wordt verdrukt; meerdere keren halen zij Gods dienaren uit de gevangenis; zie bijvoorbeeld het prachtige verhaal in Handelingen 12 : 1- 19.
Echt vechten doen de engelen in Openbaring. Hun strijd is tegen de draak (Op. 12:7). Aan de volgelingen van Jezus wordt duidelijk gemaakt dat hun strijd niet is tegen  “bloed en vlees”(NBG), niet “tegen mensen maar tegen de hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen” (Ef. 6:12).

Engelen nemen deel aan de lofprijzing. Maar ook in Openbaring 5 doen ze dat roepend “met luide stem”; dit in tegenstelling tot de vier wezens en de 24 oudsten in datzelfde hoofdstuk die wél zingen. Maar of ze roepen, scanderen of zingen is niet het belangrijkste. De vraag is welke rol ze vervullen: die van een prachtig koor  of dat van een leger. In het eerste geval kan het nog best gezellig worden met kerst, rondom het ‘kribje’ met het ‘Kindeke klein en teer’, en de herdertjes. Het Kerskind blijft het middelpunt, niet de Kerstman. 
Maar het Kind is de legeraanvoerder, die – niet met kracht, niet met geweld, maar door de Geest – de strijd aanbidt met de vorst der duisternis. Wie dat beseft, heeft écht wat te vieren. Want zijn strijd loopt uit op de overwinning, waarbij God alle dingen nieuw maakt en zelf weer te midden van Zijn volk woon, net als in het begin. 

Meditatie in het kerkblad Hervormd Dordrecht, nr. 23, 28 november 2008

Bidden voor Kopenhagen






Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen. Maar ze heeft hoop gekregen, omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt.
Romeinen 8:20 en 21


Regelmatig bereiken mij verzoeken om voorbede te doen. Voor medemensen in nood, bijvoorbeeld, dichtbij of ver weg. Voor slachtoffers van oorlog of natuurgeweld.  Voor ‘ onze’ soldaten in Uruzgan. Voor vervolgde broeders en zusters. Voor de zending en projecten van het ‘werelddiaconaat’. Voor Israël, de vrede van Jeruzalem. Voor de eenheid van de kerken.
Allemaal goed, allemaal terecht. Gebed is nodig,  gebed ‘vermag’ veel. Ik denk dat de mensen gelijk hebben die stellen dat de malaise van de westerse kerk alles te maken heeft met het feit dat gebed er zo’n marginale rol speelt; ik las een uitspraak van een Chinese kerkleider die bij zijn vertrek na een bezoek aan de USA op de vraag wat hem het meest was opgevallen, antwoordde: “ Dat jullie zoveel voor elkaar krijgen zonder God nodig te hebben…”

Maar wat ik nog niet heb gezien  is een oproep om te bidden voor  de klimaattop in Kopenhagen (wel om op 13 december , als in deze stad een speciale kerkdienst eindigt,  de kerkklokken te luiden). Soms lijkt het of christenen die zich het afgelopen jaar het meest druk hebben gemaakt om op te komen voor de betrouwbaarheid van het scheppingsverhaal – over het ontstaan van de aarde - het minst betrokken zijn bij de toekomst  ervan.
Misschien heeft dat te maken met de wijdverspreide gedachte dat deze aardbol  bij de wederkomst van Christus niet meer nodig is en door vuur zal vergaan. Daar dat gaat het inderdaad in 2 Petrus 3, maar dan is het wel belangrijk dat hoofdstuk goed te lezen.
Petrus refereert  in dit hoofdstuk aan de zondvloed. Maar toen die voorbij was, kwam de oude aarde weer tevoorschijn, de wereld die God had gemaakt en waarvan Hij had gezien dat die goed, zelfs ‘zeer goed’ was. De aarde was nieuw, vernieuwd, want al het kwaad dat zich er had genesteld – inclusief de veroorzakers ervan – was er niet mee.
In de woorden van Petrus klinkt ook het allerlaatste hoofdstuk van ‘ons’ Oude Testament door, Maleachi 3. In vers 19 (4:1 in sommige vertalingen) gaat het ook over dit oordelende vuur. Maar aan het begin van het hoofdstuk, in 3: 1 en 2, blijkt dit het vuur van de zilversmid te zijn, die in het vuur alle onzuivere elementen wegbrandt om zuiver zilver over te houden. Zo zal het kennelijk gaan met de goede schepping van God, de aarde; die komt niet in de verbrandingsoven, bij het restafval, maar wordt door God gereinigd, gezuiverd en is dan helemaal nieuw.

Romeinen 8 spreekt over diezelfde aarde, die meegesleurd is in de val, de zondeval van een opstandige mensheid. Maar zoals er toekomst is voor hen die zich aan Gods genade toevertrouwen en daarmee Zijn kinderen worden, zo is er ook toekomst voor de aarde.  Ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt. En het bederf, het zuchten, het lijden van die goede schepping: het  zijn barensweeën: verschrikkelijk pijnlijk, maar niet zinloos: wat eruit voortkomt, is een nieuwe geboorte, een prachtig wonder.
Als Jezus naar de wereld komt als Redder, - het is Advent -  dan is dat kennelijk niet alleen om mensen, zielen te redden, dan is dat om zijn hele schepping te bevrijden, verlossen, redden.

Als gemeente van Jezus Christus mogen we in deze periode bidden voor Gods schepselen; ook dat ze achter de glitter van de bomen en de ballen zich zullen krijgen op de werkelijke betekenis van Kerst. Maar we mogen ook bidden voor Kopenhagen, én ons (milieu-)steentje bijdragen; misschien wel méér dan een steentje, méér dan het gewone. Omdat we weten dat het om Gods goede, ja Zijn zeer goede schepping gaat; omdat we niet (moeten) willen dat Hij straks onze rommel moet wegbranden. 

Meditatie in het kerkblad Hervormd Dordrecht, nr. 23, 4 december 2009














Maar leggen ze ook eieren???

De Allerhoogste echter woont niet in wat men met handen maakt (Hand. 7:48, vgl. 17:24)


… het verborgene van zijn hart komt aan het licht en hij zal zich ter aarde werpen, God aanbidden en belijden, dat God inderdaad in uw midden is (1 Kor. 14: 25)


Ook deze zomer zullen veel vakantiegangers weer de nodige kerken ‘in den vreemde’ bezoeken; soms om er een dienst van de plaatselijke gemeente bij te wonen, maar veel vaker om de interessante aspecten van het gebouw te bewonderen. Veel van het ‘gedoe’ rond die kerkgebouwen doet mij denken aan een verhaal, dat ik ooit tegenkwam. Ik heb het niet terug kunnen vinden, maar meen me ter herinneren dat het uit een nummer van de Strijdkreet  kwam. Het ging ongeveer als volgt:

Een Amerikaanse vrouw, nogal een nuchter type, ‘deed’ met een gezelschap Europa. In het Vaticaan vertelde  de gids die het gezelschap rondleidde vol trots dat de kippen die er rondscharrelden rechtstreeks afstamden van de haan die gekraaid had toen Petrus Jezus drie maal had verloochend. “Maar”, vroeg onze hoofdpersoon, “leggen ze ook eieren?”
Later die week bezichtigde het gezelschap  St. Pauls’s Cathedral in Londen. Hier vertelde een gids, eveneens vol trots, welke koninklijke personen, admiraals en andere beroemdheden er in de kerk begraven lagen. Onze toerist had echter opnieuw een vraag: “Maar komen hier ook mensen tot geloof?”

Misschien wat eenzijdig, maar volgens mij is het wel de vraag waar het om gaat; bij kerkgebouwen, bij gemeenten én bij individuele christenen: de vraag naar de ‘vruchten’. De christen en de christelijke gemeente die geen lichtdrager is, geen zout der aarde, zo zegt Jezus snoeihard, “deugt nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden” ( Mt. 5:13). En ook de samenkomst van de gemeente wordt door Paulus getoetst aan de hand van de vraag of ‘buitenstaanders’ (toehoorders of ongelovigen) verstaanbare en relevante dingen horen die hen ertoe brengen die te be-amen en zich ter aarde te werpen, God te aanbidden en te belijden dat God op deze plek “in het midden” is. 

Zo is ook een kerkgebouw niet per definitie een godshuis: komen er ook mensen tot geloof, leren mensen tot hun heil Jezus Christus kennen als hun Verlosser. Anders staat zo’n gebouw alleen maar oud en – in het gunstigste geval – interessant te wezen. En als het niet interessant genoeg is, wordt het een winkel, appartementencomplex, horecagelegenheid of nog iets anders.

God woont niet in wat met handen is gemaakt, benadrukken Stefanus en Paulus. Ze hebben het dan over tempels; respectievelijk over de tempel in Jeruzalem en de heidense tempels in Athene. Joden én heidenen moeten zich daar niet te veel op richten: God is er niet aan gebonden; Hij woont temidden van Zijn gemeente; dát is zijn lichaam. God is daar, waar twee of drie vergaderd zijn in zijn Naam. En dat staat los van de vraag waar die twee of drie (of méér, natuurlijk) samenkomen. Want terwijl duizenden kerkgebouwen gesloten worden als huis van gebed,  vergadert God zijn gemeente in woonkamers, aula’s van scholen, parkeergarages (denk aan de Bijlmermeer), en bedrijfsgebouwen op industrieterreinen.

Een praktisch gebouw om als gemeente samen te komen, is iets om dankbaar voor te zijn. En als het dan ook nog een mooi gebouw is, mag je je daar ook gerust over verheugen. Maar de hamvraag voor de gemeente blijft toch: maar leggen ze ook eieren? Is wat er in en om het gebouw gebeurt, ook vruchtbaar, dienstbaar aan de komst van Gods Koninkrijk?  Komen er hier ook mensen tot geloof.

En als u op vakantie een mooi, oud kerkgebouw bezichtigt, geniet er dan van. Maar doe het niet zonder een gebed voor de gemeente die er (hopelijk) op de Dag des Heren samenkomt: dat ze het gebouw dienstbaar zal weten te maken aan de opdracht die God gaf: Maak alle volkeren tot mijn discipelen.

Meditatie in het kerkblad Hervormd Dordrecht, nr. 14, 9 juli 2004

De wil des Heren geschiede



En toen hij niet te overreden was, hielden wij ons stil en zeiden: De wil des Heren geschiede 

Handelingen 21:14


Bij gesprekken over het lijden, of over het Onze Vader, blijkt dat veel christenen het gebed ‘Uw wil geschiede’ nogal fatalistisch, nogal ‘lijdelijk’ opvatten: het gaat erom dat je zover komt dat je je neerlegt bij het leed wat je overkomt, want het is de wil van God. Dat moet het wel zijn, anders was het niet gebeurd.
Maar via engelse vertalingen (en straks ook via de NBV, en al eerder via de uitlig in de Heidelbergse catechismus, antw. 124) ontdekken we wat het gebed bedoelt: Thy will be done: laat (op aarde) uw wil worden gedaan (zoals dat ook in de hemel het geval is).

In Handelingen 21 komen de reisgenoten van Paulus (waaronder Lucas) en gemeenteleden uit Caesarea tot de bovengenoemde uitspraak na een discussie met Paulus. Aan het einde van zijn 3e zendingsreis koerst die namelijk rechtstreeks op Jeruzalem aan. Langs verschillende kanalen is hij al op de hoogte gebracht van hetgeen hem daar te wachten staat: verdrukking, boeien, lijden. De Geest heeft hem rechtstreeks op de hoogte gebracht (20:23), maar ook mensen met de gave van profetie hebben het hem gezegd. In Tyrus gebeurt dat door ‘discipelen’, die kennelijk de profetische boodschap die de Heilige Geest hen doorgaf (in Jeruzalem staat Paulus lijden te wachten), aanvullen met, of vervangen door hun eigen conclusie: niet gaan! (21:4). In Caesarea komt er nog een echte profeet uit Jeruzalem, Agabus,  en hij geeft niet alleen zijn boodschap door, maar – net als veel oudtestamentische profeten – illustreert hij dat met een symbolische handeling: hij bindt zijn handen en voeten vast met de gordel van Paulus. En namens God (dit zegt de Heilige Geest, vergelijk het ‘Zo spreekt de HERE’ van de profeten in het Oude Testamant) geeft Agabus dan zijn boodschap door: zo zal de eigenaar van de gordel in Jeruzalem worden gebonden (21:11).

Opnieuw laait dan de discussie over de toepassing op. Als je weet dat je lijden te wachten staat in Jeruzalem, moet je er dan niet heengaan of juist wel. Van vele kanten is de conclusie: niet gaan! Maar Paulus maakt een andere afweging. In de woorden van Okke Jager: 
 “Paulus heeft eerst naast elkaar geschreven:
Jezus en in Caesarea blijven.
Jezus en naar Jeruzalem gaan.
Toen ging hij kijken: waar rijmt het en waar rammelt het? Dan kun je zeggen: Jezus en naar Jeruzalem gaan, dat rijmt op elkaar, want we zien Jezus ook voortdurend ook onderweg naar Jeruzalem. De dienaar is niet meer dan zijn Heer, die gezegd heeft: ‘Zij hebben mij vervolgd, ze zullen ook jou vervolgen’. Dat gaf voor Paulus de doorslag. In overgave aan Christus ging Hij de onderste weg.”
Tegenover de oudsten uit de gemeente in Efeze had Paulus zich in deze zin uitgelaten: En zie, nu reis ik, gebonden door de Geest, naar Jeruzalem, niet wetende wat mij daar overkomen zal, behalve dat de Heilige Geest mij van stad tot stad betuigt en zegt, dat mij boeien en verdrukkingen te wachten staan. Maar ik tel mijn leven niet en acht het niet kostbaar voor mijzelf, als ik slechts mijn loopbaan mag ten einde brengen en de bediening, die ik van de Here Jezus ontvangen heb om het evangelie der genade Gods te betuigen. (Hand. 20:22-24). In Caesarea herhaalt hij dan nog eens: Want ik voor mij ben bereid, niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor de naam van de Here Jezus. (21:13).

Als de gesprekspartners van Paulus merken dat hij niet te overreden is, houden ze zich stil: De wil des Heren geschiede; de wil van God worde gedaan. Zij, én Paulus, vallen daarin Jezus bij. In zijn eerste boek heeft Lucas beschreven hoe Hij in de hof van Gethsémane worstelde met God: Vader, indien Gij wilt, neem deze beker van Mij weg; doch niet mijn wil, maar de uwe geschiede! (Lucas 22:42). In navolging van Hem zegt Paulus Hem dat na, neemt Hij zijn kruis op om Jezus te volgen.

Dat kruis is níét het kruis uit: ieder huisje heeft z’n kruisje. In die uitdrukking gaat het lijden dat je overkomt; je hebt geen keus. Maar het kruis van Christus, van de navolging, kún je ook laten liggen. Je moet het echt op je nemen, daarvoor kiezen, omdat je Jezus wilt volgen. Of niet, natuurlijk, omdat het te zwaar is, te lastig, omdat het te veel kost.
Wie bidt: Uw wil geschiede, doet dat in het verlangen dat datgene zal worden gedaan (ook aan en met en door hem- of haarzelf) waardoor Gods Koninkrijk wordt gebouwd; het gebed staat niet voor niets vlak achter Uw Koninkrijk kome. Dat Koninkrijk krijgt gestalte als op deze aarde de wil van God wordt gedaan, zoals het in de hemel al volkomen gestalte gekregen heeft omdat daar Gods wil ‘heilig’ is, Gods wil wet is. Jezus verlangde daarnaar; daarom kwam Hij naar de wereld, daarvoor stierf Hij aan het kruis, daarvoor overwon Hij de dood. Paulus, en na een uitvoerige discussie ook zijn gesprekspartners, deelden zijn verlangen en nemen het gebed over: de wil des Heren geschiede.

Nu wij nog!


Meditatie in het kerkblad Hervormd Dordrecht, nr. 21 2004