vrijdag 4 september 2015

Dus ... geniet!

Dus eet je brood met vreugde, drink met een vrolijk hart je wijn. God ziet alles wat je doet allang met welbehagen aan.  Draag altijd vrolijke kleren, kies een feestelijke geur. Geniet van het leven met de vrouw die je bemint. Geniet op alle dagen van je leven, die God je heeft gegeven. Het bestaan is leeg en vluchtig en je zwoegt en zwoegt onder de zon, dus geniet op elke dag. Het is het loon dat God je heeft gegeven. 
Prediker 9:7-9

Als iemand ’dus’ schrijft, verwacht je dat er een logische conclusie volgt: roken is heel slecht voor je gezondheid, dus daar kun je beter zo snel mogelijk mee ophouden! Maar in Prediker 9 lijkt iedere logica zoek. In de eerste zes verzen van het hoofdstuk heeft de schrijver betoogd dat ieder mens hetzelfde lot treft - zo staat het ook letterlijk in vers 3 - het maakt niet uit of je al dan niet rechtvaardig bent.
Als je dat concludeert, ligt het voor de hand te vervolgen met de woorden waarmee het bijbelboek begint: ijdelheid der ijdelheden, het is allemaal ijdelheid (ofwel, met de NBV: allemaal lucht en leegte). Allemaal zinloos.
Maar dat doet Prediker niet. Heel verrassend gaat hij verder met het advies om volop te genieten van het leven. En dan niet vanuit al die het negatieve Geniet van ’t leven, het duurt maar even, maar in het geloof dat de goede dingen in het leven van God komen. Leven in het besef van de naderende dood moet niet leiden tot droefheid daarover, maar tot vreugde over het huidige leven.

Nu stammen de meeste leden van de PKN, en dus de meeste lezers van dit kerkblad, van  het calvinistische deel van de Reformatie, en die worden geacht vooral sober en matig te zijn; genieten scoort niet echt hoog op de lijst met christelijke deugden. Tot hun troost kan worden gemeld dat ook Prediker het hier niet heeft over een leven waarin alle remmen los gaan; hij sluit zijn boek ook af met de conclusie dat God oordeelt over elke daad en ieder dus dient te leven in ontzag voor God en gehoorzaamheid aan Zijn geboden. Maar dat sluit niet uit dat iedereen het gewone leven mag genieten als een gave van God.

Jochem Douma noemt de verzen over genieten een oase in de woestijn. Of eigenlijk: niet meer dan een oase in de woestijn. Over die woestijn heeft Prediker het uitvoerig gehad. Als rijke koning met een fors harem had hij alles waarvan veel mensen denken dat daarin het geluk te vinden is: bezit, macht, vrouwen (ofwel: gold, glory and girls). Maar de les die hij leerde is dat dat allemaal ijdelheid, allemaal lucht en leegte is. Toch brengt dat hem er niet toe dan maar voor de trein te springen. Integendeel: al bevind je je in de woestijn, dan hoeft dat geen verhindering te zijn om de weldaden van de oase volop te vieren en te genieten, als gave van God. Oók na de vakantie.

Geplaatst  in Kerk op Dordt jaargang 6, nummer17  d.d. 10 april 2015

zondag 16 augustus 2015

Earth overshoot Day



De berekeningen lopen wat uiteen, maar rond de tijd dat dit kerkblad bij u op de mat valt is het Earth overshoot Day. Dat is de dag waarop we met elkaar, als wereldbewoners, datgene wat onze aardbol kan voortbrengen aan grondstoffen, hebben opgebruikt. De rest van het jaar, 4 1/2 maand, teren we dus in. In 1986 konden we nog ongeveer toe met wat de aarde voortbracht, in 2001 viel de dag op of rond 1 november, in 2011 op 27 september en dit jaar, 2015 - volgens de officiële site, op 13 augustus.

Als schuldhulpmaatjes te maken krijgen met mensen die, zoals Loesje dat even grappig als wrang formuleert, ’aan het einde van hun geld nog een stuk maand overhouden’, is het tijd voor een serieus gesprek; zeker als dat stuk geldloze maand steeds langer wordt. Er moet óf meer geld binnenkomen, óf stevig bezuinigd worden. Maar t.a.v. de aarde blijven heel veel mensen erg kalm onder de signalen. Net als 40 jaar geleden, toen er steeds duidelijker werd hoe desastreus nicotine was, zijn er nu ook belanghebbenden die er alles aan gelegen is om de boodschap van een opwarmde aarde te bagataliseren of zelfs te ontkennen. Daar horen niet alleen de grote vervuilers bij, maar óók politici én hun kiezers, die beseffen dat erkennen van het probleem consequenties heeft voor hun gedrag.

Maar ook christenen stoten soms hun neus als ze aandacht vragen voor deze problematiek. Immers: wat baat het een mens, de gehele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden (Mc. 8:36). En er komt toch een nieuwe aarde, dus wat zou je je druk maken om de oude. Soms is de gedachte zelfs: hoe eerder de oude ’op’ is, hoe eerder die nieuwe komt. Ik denk dat daar ook vaak een theologische misvatting aan ten grondslag ligt: Romeinen 8 lijkt toch echt te gaan over de aardbol die niet alleen meegetrokken is in de val van de mens, maar die ook zal delen in de verlossing (vers 19-22).
In de kerk vermanen c.q. sporen we elkaar - terecht - aan zuinig om te gaan met ons lichaam, en dus bijvoorbeeld niet te roken en drugs te gebruiken: het is een tempel van de Heilige Geest. Dat doen we, terwijl we weten dat dat lichaam bij de opstanding vernieuwd zal worden, zie het slot van 1 Kor. 15. Zouden we dan met Gods Schepping anders moeten omgaan?

Ik las ooit een bijdrage van iemand die zich afvroeg waarom we in de kerk aandacht besteden aan alle ’heilsfeiten’ met speciale feestdagen en ’tijden’ (advent, 40-dagen- of lijdenstijd), behalve aan de Schepping. Deze persoon stelde voor zo’n periode op de kerkelijke kalender in te bouwen in het najaar; niet zo’n gekke keuze; dat is ook de tijd van de Vredeszondag - al hoor je daar steeds minder over -, de Michazondag - al krijgt die nog niet erg breed aandacht - en de Dankdag voor gewas en arbeid of de oogstdienst; daar doen we PKN-breed wat mee.
Een scheppingszondag blijkt er overigens al te zijn: op de eerste zondag in september. In veel landen wordt deze zondag al jarenlang gevierd, lees ik op internet. Voor zover ik weet, hoort Nederland daar niet bij. Ik had er zelf tot vorige week ook nog niet van gehoord en mijn kerkenwerkagenda zegt er ook niks over. Misschien leent de datum zich er ook niet zo goed voor: net na de vakantie, met de startzondag nog voor de boeg.

Maar ondertussen zijn we bezig in te teren op onze reserves; zolang de voorraad strekt. Christenen én kerken zouden daar, méér dan anderen, een boodschap aan moeten hebben.

ds Wim Aanen

Geplaatst  in Kerk op Dordt jaargang 6, nummer 16  d.d. 14 augustus 2015, p. 32

woensdag 1 april 2015

Als de graven openbreken ...



De graven werden geopend en en de lichamen van veel gestorven heiligen werden tot leven gewekt (Mattteüs 27:52)
Wanneer de bazuin weerklinkt, zullen de doden worden opgewekt met een overgankelijk lichaam .... (1 Kor. 15:52)

Op de een of andere manier ben ik een jaar of 20 geleden in het bezit geraakt van een boek uit 1927, Licht uit de graven van ds. J.J. Knap Czn. De ondertitel van het boek luidt Bijbellezingen over de doodenopwekkingen in het Nieuwe Testament. De schrijver wijdt 12 lezingen aan de opwekking van Lazarus, en steeds twee aan de zoon van de weduwe in Naïn, het dochtertje van Jaïrus en Tabitha of Dorcas; Eutychus tenslotte, de jongeman die overleed na een val uit het raam van de samenkomst-bovenzaal (omdat hij in slaap was gesukkeld, Handelingen 20:7-12) moet het met één hoofdstuk stellen.
Wat dan opvalt is dat Knap met geen woord rept over de collectieve dodenopwekking waar Matteüs over schrijft. Op de middag van de Goede Vrijdag, op het moment dat Jezus sterft, gebeuren er elders twee bijzondere dingen:
  • het voorhangsel in de tempel scheurt; de weg naar God, afgesloten na de zondeval, is weer open (zie de Hebreeën 10:19 en 20)
  • buiten de stad worden ”veel gestorven heiligen” tot leven gewekt. Zij wachten keurig hun beurt af: ze blijven wachten tot zondagmorgen, als Jezus is opgestaan; dan pas vertonen ze zich in de stad.
Knap is niet de enige bij wie dit laatste aspect van het Paasevangelie ontbreekt; in de klassieke kinderbijbels wordt het gescheurde voorhangsel veelal wel genoemd, maar de opwekking van de doden niet. Zelf kreeg ik het in vele jaren bijbelvertellingen en preken ook niet mee. Maar daarom hoort het er nog wel helemaal bij.

Het bijbelgedeelte laat veel vragen open: wie waren deze gestorven heiligen, wanneer leefden en stierven ze, en in wat voor soort lichaam verschenen ze. Maar de boodschap is duidelijk. Toen Jezus stierf aan het kruis, was het écht allemaal volbracht. Niet alleen was er betaald voor de schuld, voor de zonde, maar de Heer overwon toen ook de macht van de dood. En 1 Korintiërs 15 laat zien dat deze dodenopwekking een teken is, dat verwijst naar Gods toekomst; net zoals de genezingen die Jezus verrichtte, en de 600 liter hele beste wijn, waarmee Hij een bruiloft redde, dat waren. Als straks de bazuin klinkt,  vindt er een nog veel grotere dodenopwekking plaats, wereldwijd. Wat gezaaid werd in vergankelijkheid en oneer, wordt door de Heer opgewekt in onvergankelijkheid en eer. In een wereld vol dood en verderf, pijn en verdriet blijven we belijden en geloven in een opgestane Heer, én in de  ’opstanding des vlezes’.

Geplaatst  in Kerk op Dordt jaargang 6, nummer 8  d.d. 10 april 2015.

zaterdag 21 maart 2015

Daarenboven .....

In een oud formulier voor de bevestiging van ambtsdragers (nr. II uit het oude hervormde dienstboek, p. 170) wordt over de taak van diakenen gezegd: Daarenboven zullen zij de kerk dienen in haar taak om ook overheid en volk te wijzen op hun roeping, te streven naar een samenleving waarin het rechtvaardig toegaat en waarin er ruimte is voor ieder mens om le leven en te werken. 
In de jaren dat ik nu meedraai in het diaconale circuit, is dat nog wel eens aan de orde: dat je de (plaatselijke) overheid benadert inzake dingen die er mis gaan voor mensen die het - naar Nederlandse normen - iedere maand met een heel klein beetje geld moeten doen en die dan ook nog te maken krijgen met allerlei sancties die hun ruimte om te leven en te werken ernstig belemmeren.

Soms helpt dat. Dan erkent de overheid c.q. de Sociale Dienst Drechtsteden (SDD) dat de regels misschien wel juist zijn toegepast, maar dat de casus uitwijst dat de regels niet deugen. Twee voorbeelden: de rechter bepaalde dat een vrouw recht had op een paar honderd euro alimentatie per maand. ’Dat ga ik niet betalen’, zei haar ex. ’Maar wij gaan het wel vast inhouden’, besloot de SDD. Nu is er wel een procedure waarmee de vrouw haar geld kon binnenhalen, maar die duurt zo maar een half jaar. En dan had ze wellicht inmiddels onder de brug geslapen omdat ze van een halve uitkering niet eens haar de vaste lasten kon betalen, laat staan dat ze er ook nog boodschappen van kon doen.
Een andere inwoonster van deze stad had werk gevonden, maar wel met een nul-urencontract. Haar salaris van september werd pas 27 oktober betaald, en de berekening kreeg ze ook niet eerder. Maar in de regeltjes van de overheid staat dat ze verplicht was uiterlijk 25 oktober aan te tonen hoeveel ze had verdiend, zodat dat bedrag verrekend kon worden. Dat kon ze dus niet, en daarom kreeg ze bericht dat ze een boete van 150 euro zou krijgen. Nogal een fors bedrag als je van een inkomen op bijstandsniveau moet leven; het verschil tussen wél of niet voldoende eten voor je kinderen.

Soms helpt het niet. Ik trok jaren op met een Dordtenaar aan wie keer op keer was beloofd dat hij via allerlei integratietrajecten en ’stages’ vast werk kon krijgen. Hetgeen niet gebeurde. Vervolgens werd hij - na een misstap, dat wel, maar vooral voortkomend uit het gegroeide wantrouwen tegenover de SDD - bijna als vermeend terrorist behandeld door die organisatie. Ik schaam me nog plaatsvervangend voor de manier waarop hij in een bezwaarcommissie werd behandeld door de voorzitter, en hoe het lid van de commissie dat was aangewezen om vooral zijn belangen te behartigde, stommetje speelde.

Nu is een diaken geen profeet; die kregen heel rechtstreeks van God te horen wat ze moesten zeggen en tegen wie. Daarbij kwamen zelfs koningen aan de beurt, denk aan Natan versus David en Johannes de Doper die Herodes op zijn fouten wees.  Zo heeft de kerk  het - naar mijn bescheiden mening: terecht - ook altijd als haar opdracht gezien de overheid aan te spreken op haar verantwoordelijkheid. Soms deed de ze dat wel met een heel grote mond en redelijk eenzijdig en/of voorbarig, en daar moet ze voor oppassen. Maar PKN-scriba Arjen Plaisier deed het vorig jaar weloverwogen, correct, toen hij namens de PKN  de landelijke overheid aansprak op haar houding tegenover asielzoekers .

Diakenen doen dat óók, ofwel: ’daarenboven’. Ze helpen - wereldwijd, of in eigen land en stad - daar waar geen helper is. Maar soms is er wat meer nodig; dan wijst zij of hij niet alleen de eigen gemeente, maar ook de overheid op haar roeping ruimte te scheppen. Ruimte voor ieder mens om te leven en te werken.

Geplaatst  in Kerk op Dordt jaargang 6, nummer 6  d.d. 13 maart 2015, p. 32

donderdag 11 december 2014

Waartoe is de kerk op aarde?



’Als het zo doorgaat met de leegloop’, zei een spreker op de vergadering van de classis, ’is de kerk over een jaar of twintig verdwenen’. Waarop de gebruikelijke reactie volgde: ’Nee hoor, dat kan niet: God houdt Zijn Kerk in stand’.

Nu geloof ik dat ook: de nieuwe Bijbel in gewone taal vertaalt de woorden van Jezus aan het slot van Matteüs 16:18 zo: ’Mijn kerk zal er zijn zolang deze wereld bestaat’. En toch heb ik het idee dat ik daar andere gedachten bij heb dan de opponent van de inleider op de classis. Want met deze belofte zei Jezus niets over het behoud van kerkgebouwen (die had de kerk ook niet in de eerste vier eeuwen van haar bestaan), orgels (die kwamen nog ruim 1.000 jaar later) en predikantsplaatsen (de arbeidsvoorwaarden die Jezus Zijn dienstknechten aanbood waren niet rooskleurig, om het voorzichtig te zeggen). En Jezus zegt ook niks over de delen van de wereld waar zijn kerk wél, en waar die níét vertegenwoordigd zal zijn; in Klein Azië, het huidige Turkije, is weinig of niets teug te vinden is van de zegenrijke arbeid die Paulus c.s. er mochten verrichten.

Dat klinkt allemaal nogal pessimistisch. Toch ben ik dat niet. Want terwijl er overal in ons land kerkgebouwen worden gesloten en predikantsplaatsen opgeheven, gebeuren er ook nieuwe dingen. Amsterdam wordt daarbij vaak als lichtend voorbeeld genoemd, maar laten we wat dichter bij huis blijven: in Dordrecht.

•De Gereformeerde Kerk - vrijgemaakt, die haar ’gewone’ diensten houdt in de Kandelaarkerk in Stadspolders, is al een aantal jaren missionair actief op de Staart. Vanaf eind november beschikt de gemeente daar over een eigen onderkomen (Maasstraat 29) en daarin worden tweewekelijkse laagdrempelige samenkomsten gehouden rondom een lunch;
 •De Kerk van de Nazarener zet niet alleen regelmatig de deuren van het souterrain van de Staphanuskerk open voor de buurt - waartoe ook de ’beruchte’ Colijnstraat behoort -  maar is ook een dochtergemeente begonnen in Reeland. In de voormalige Ambachtschool aan de Reeweg-Oost  zijn sinds begin dit jaar wekelijks laagdrempelige samenkomsten, maar de dochtergemeente  zoekt ook naar andere wegen om kerk in en voor de buurt te zijn;
 •de voormalige Bonifatiuskerk aan de Wijnstraat fungeerde enkele decennia als poptempel, maar is nu weer een ’huis van God’, onder de naam Bonfire wordt in woord en daad het evangelie doorgegeven, vooral gericht op jongeren;
 •Koffie Met in de Grotekerksbuurt moest even stoppen, maar maakt nieuwe plannen om in de Dordtse binnenstad het het goede nieuws van Gods Koninkrijk uit te dragen (om te beginnen tijdens de Kerstmarkt);
 •en over de laagdrempelige samenkomsten rondom een lunch in Krispijn en - sinds eind vorige maand - Wielwijk kunt u regelmatig lezen in dit blad, onder de wijkberichten van Krispijn en de Andreaskerk.

Misschien is het vanwege het besef dat ’de kerk die niet werft, sterft’. Misschien is het omdat er (opnieuw) het besef is doorgedrongen dat de kerk dáártoe op aarde is: om uit te gaan en het grote nieuws van Gods Koninkrijk te verkondigen (1 Petrus 2:9). Ze is er níet - en zeker niet in de eerste plaats - om haar eigen bestaan veilig te stellen, om de boel bij elkaar te houden, ze is niet een historische vereniging of een verlengstuk van Monumentenzorg; ze is er (vooral) ten behoeve van haar niet-leden. En zolang ze dat als haar prioriteit beschouwt, is er toekomt voor die kerk. Wellicht niet in grote, dure eigen gebouwen, maar in buurthuizen, woonkamers, gehuurde zaaltjes, desnoods in kraakpanden of de open lucht. Wellicht ook wel niet met academisch geschoolde voorgangers - of wel, maar dan een die de kost verdient met het maken van tenten.

Geplaatst  in Kerk op Dordt jaargang 24, nummer 24  d.d. 12 december 2014.

woensdag 28 mei 2014

Wat is er mis met de moerassen en de poelen?

Alleen de moerassen en de poelen worden niet zoet, 
die blijven vol staan met zout water. (Ezechiël 47:11)





Ezechiël 47 is een prachtig beeld van Pinksteren. Als er water uit het heiligdom komt, brengt dat leven en overvloed in het woestijngebied rond de Dode Zee: bomen die maar liefst twaalf keer per jaar een nieuwe oogst  aan gezond voedsel voortbrengen, én natuurlijke geneesmiddelen; een zee - die eerst dood  was - vol vis: net zoveel soorten als in de Grote (lees: Middellandse) Zee. Er komt leven, er komt overvloed in een gebied in een woestijn en in een Dode Zee. 

Maar dan, tussen al dat moois, de mededeling over de moerassen en de poelen. Die zijn kennelijk niet verbonden met de stroom van levend water en blijven zout; dat betekent:  doods, onleefbaar. Als Ezechiël 47 een beeld is van Pinksteren - en Johannes 7:37-39 wijst daarop - dan gaat vers 11 over de mogelijkheid en het risico dat je daar vlak bij kunt zijn, maar toch het feest misloopt. 

Paulus vermaant de gemeente in Efeze om de Heilige Geest niet te bedroeven (4:30); blijkens de context doe je dat door een slordige en ongehoorzame levenswandel. En de gemeente in Tessalonica krijgt te horen dat zij de Geest niet mag uitdoven (1 Th. 5:19). Daar gaat het eveneens over de levenswandel van de gemeente, maar óók over het negeren, verachten van één van de gaven, charismata, van de Heilige Geest, de profetie. Jezus biedt het levende water aan aan ’wie dorst heeft’ (Johannes 7:37). Daar kan het dus kennelijk ook aan liggen: dat we helemaal niet zo’n behoefte hebben aan (méér van) de Heilige Geest.

Met Pinksteren deelt God heel royaal uit: stromen van zegen, van levend water. Aan ons de roeping ons uit te strekken naar dat water en te vermijden wat in de weg staat om het te ontvangen. Opdat we delen in, en leven uit de volheid van Gods Geest. Én een bron worden voor een dorstige en ’doodse’ wereld. 

Geplaatst  in Kerk op Dordt jaargang 5, nummer 12  d.d. 6 juni 2014.


zaterdag 26 april 2014

Obediëren

Vraag Zal de gemeente van Jezus Christus op of rond nationale feestdagen ook het volkslied zingen in (of direct na) de eredienst.

Antwoord Dat behoort tot de middelmatige dingen en het staat de gemeente dus vrij het wel of niet te doen. 

Ik begreep dat er nog over gediscussieerd is, maar in het nieuwe Liedboek zijn uiteindelijk weer alle 15 coupletten van het Wilhelmus opgenomen (lied 708), zoals dat eerder gebeurde in het ’oude’  (lied 411) en de ’hervormde bundel’ van 1938 (Gezang 301). In de 119 gezangen van de Gereformeerde Kerken (uit 1962) werden als laatste gezang alleen de coupletten 1, 6 en 14 opgenomen. Maar de opvatting dat het in ieder geval mogelijk moet zijn het Wilhelmus aan te heffen, gaf kennelijk steeds de doorslag; ook al zijn 13 van de 15 coupletten waarschijnlijk uiterst zelden of nooit gezongen. 
Nu ben ik zelf, vrees, ik, wat minder ’God, Nederland en Oranje’ dan ik volgens sommigen zou moeten zijn. Niet dat ik zo nodig een president hoef; daarmee ben je vaak verder van huis dan met een  koning die goed functioneert. Maar om Blauw bloed en vergelijkbare programma’s  zap ik altijd zorgvuldig heen. Ik verwonder me ook nogal over het feit dat uitgerekend in kringen waar wordt gezongen op prinsen geen betrouwen te stellen men nochtans van de eigen prinsen (en koning) geen kwaad wil weten. Hoewel: recent las ik wel  een kritische beschouwing over het gedrag van onze koning op de Dag des Heren tijdens de Olympische Winterspelen in Sotsji.

Maar goed, het Wilhelmus dus. In het eerste couplet staan dingen die ik niet of nauwelijks door m’n strot krijg. Dat je flink ingelezen moet zijn in de vaderlandse geschiedenis om te begrijpen waar je  ’duitse bloed’ vandaan komt en waarom je de koning van Hispanje altijd hebt geëerd, of dat in ieder geval had moeten doen, is één ding. Maar om te beloven dat je het vaderland altijd trouw zult blijven, ’tot in den dood’, is volgens mij niet alleen levensgevaarlijk maar ook niet echt christelijk.  Voor de bewijzen hoeft u niet verder te kijken dan ons eigen Europa en de afgelopen eeuw met z’n twee wereldoorlogen. Wie zijn leven inzet om de tirannie te verdrijven, om te vechten voor de vrijheid, om zijn of haar naaste te beschermen, verdient ons diepe respect, maar dat is iets anders dan blind de strijd aangaan voor Koningin en Vaderland. 

Maar wat doen we dan met het Wilhelmus? Alleen vers 6 zingen zou een optie zijn; dat is een prachtige geloofsbelijdenis. Maar soms kun je niet onder het 1e vers uit. Vorig jaar heb ik daar wat op gevonden: vers 15, als tegenhanger van vers 1. In dat vers gaat het ook om een belijdenis: dat je ’te genen tijde de koning hebt veracht’. Maar dan volgt er een komma en een voorbehoud, en daarin staat dat moeilijke woord dat boven deze PS staat: obediëren. Hoewel: zo moeilijk is het nu ook weer niet als je weet dat het precies hetzelfde betekent  als het engelse ’to obey’: gehoorzamen. 

Wie bij het ’den vaderland getrouwe blijf ik tot in den dood’ het voorbehoud maakt dan daar één uitzondering op is - namelijk: dat zij of hij God méér gehoorzaam moet en zal zijn dan de mensen, zelfs dan de koning - blijft in de lijn van de apostelen. Die riepen op de overheid te gehoorzamen en daaraan trouw belasting te betalen - en dan hadden ze het n.b. over de Romeinse bezetter -  behalve wanneer ze daarmee ongehoorzaam zouden zijn aan God (Handelingen 4:19).  Toch maar goed dat voor het héle Wilhelmus is gekozen!

Geplaatst  in Kerk op Dordt jaargang 5, nummer 9  d.d. 25 april 2014, p. 32