vrijdag 14 februari 2014

Sacramentsbevoegdheid

Een uitermate verheugend bericht in Tijding, het ledenblad van de IZB: op zondag 10 november 2013 zijn in BOEI 90, de pioniersplek van deze organisatie en de landelijke kerk in Wateringse Veld (Den Haag) zeven mensen gedoopt, volwassenen en kinderen. In de afgelopen zes jaren is er een geloofsgemeenschap ontstaan en nu was dus de eerste doopdienst. Dat is het grootste nieuws: in een land waar de ene na de andere kerk wordt gesloten ontstond een nieuwe geloofsgemeenschap en  kwamen mensen tot geloof.
Maar  verheugend is ook het feit dat de zeven werden gedoopt door de ‘missionaire pionier‘ van deze nieuwe gemeente,  en dus niet door een dominee. Arjen ten Brinke is de eerste kerkelijk werker aan wie officieel sacramentsbevoegdheid is verleend op grond van ordinantie 2-18 van de kerkorde, over ‘gemeenten in bijzondere missionaire, diaconale en pastorale omstandigheden’.

Het gebeuren roept herinneringen op aan de ‘strijd’ die we in 2005 en 2006 in Hervormd Krispijn voerden met het moderamen  van de synode. Ondergetekende  was toen nog geen predikant (omdat de ‘predikantsplaats’ was opgeheven) en toen de nieuwe kerkorde kwam, zagen we in dezelfde ord. 2-18 een mogelijkheid om niet voor iedere bijzondere dienst (doop, Avondmaal, bevestiging ambtsdragers) aangewezen te zijn op een echte dominee. De classis kon die bevoegdheid verlenen nadat een speciale commissie van de landelijke kerk had beoordeeld of we aan de criteria voldeden. Toen die commissie er nog helemaal niet bleek te zijn, heeft de classis de moed gehad dan maar zo toestemming te verlenen. Dus eigenlijk waren we in Krispijn het Wateringse Veld al een flink aantal jaren voor.

Maar wat mij toen bezig hield, liever gezegd:  ergerde, doet dat nog steeds: het feit dat er allerlei argumenten worden aangevoerd om uit te leggen waarom we de dingen in de kerk doen zoals we ze doen, zonder dat daarin de bijbelse gegevens een (belangrijke) rol  spelen. Dat is raar, voor een kerk die hoog opgeeft van het sola scriptura, de Schrift alleen.  Leest u het Nieuwe Testament er eens op na: Jezus liet het dopen aan zijn leerlingen over (Johannes 4:1) en  Paulus kan zich maar een paar namen herinneren van mensen die hij zelf had gedoopt (1 Kor. 1:14-17). En je kunt je toch ook niet voorstellen dat de twaalf apostelen na Pinksteren van huis naar huis renden om daar voor 3 resp. 5.000 mensen het brood te breken (Handelingen 2:46).

Een evangelisch voorganger vertelde dat er in zijn gemeente werd geklaagd dat  het Avondmaal zo weinig werd gevierd. “Dan doe je dat toch gewoon in je huiskring”, was zijn reactie. In ‘onze’ kerk geldt de eenheid van woord en sacrament als belangrijk motief om alleen mensen die (mogen) preken de sacramenten te laten bedienen. Maar dat geldt dan – uitermate inconsequent - weer niet voor iedere bevoegde prediker, alleen voor hen die bevestigd zijn tot predikant.  En dan denk ik toch dat men er in de evangelische gemeente wat zuiverder mee omgaat. Men wijst mensen aan om een groep gemeenteleden te onderwijzen in de Schriften, hen op te bouwen in het geloof, en geeft hen dus óók de ruimte om met hen het Avondmaal te vieren.

Natuurlijk kan ik me ook wat voorstellen bij de angst voor ‘wildgroei’.  Maar een  presbyteriale   kerk – waarin niet de bisschop maar de presbyters, de oudsten of ouderlingen de gemeente besturen – zou een kerkenraad ook gewoon kunnen toestaan om een godvruchtige ouderling uit haar midden de sacramenten te laten bedienen. 

Geplaatst  in Kerk op Dordt jaargang 5, nummer 4 d.d. 14 februari, p. 32

=========================================================


Onderstaande open brief stuurde ik begin 2006 aan de synode; hij werd gepubliceerd in Woord & Dienst van 18 maart 2006  (jaargang 55, nummer 6) onder de titel Voor iedere oplossing een probleem.
  

OPEN BRIEF AAN DE PKN-SYNODE 

Het is maar goed dat de discipelen, toen Jezus hen riep om Hem te volgen, geen toestemming van de kerkenraad nodig hadden   (Rikkert Zuiderveld)  ….. of van de classis, of van de synode (wa).


Geachte leden van de synode, waarde zusters en broeders,
Omdat mijn brieven aan u bij het moderamen en zijn jurist blijven steken, wend ik me  langs deze weg tot u. De gang van zaken in de kerk verontrust me namelijk zeer – en dan heb ik het voor de verandering eens niet over het homohuwelijk, over de Konkordie van Leuenberg en zelfs niet over de processen die u voert met de Hersteld (Nederlandse) Hervormden. Het gaat mij om de vraag in hoeverre uw vergadering in staat en bereid is het werk op het ‘grondvlak’ te steunen en oplossingen te zoeken als er knelpunten zijn.

In uw visienota Leren leven van de verwondering schrijft u prachtige dingen, o.a. over missionair gemeente-zijn. Uw scriba heeft daar al eerder indrukwekkende lezingen over gehouden en verhalen over geschreven; ook over de belemmeringen die weggenomen zouden moeten worden op dit terrein. Zo las ik in een interview met hem over de kerk in de stad (Kontekstueel december 2004, p. 27): “Er is bij mij ook een duidelijk verlangen naar een open vorm van kerk zijn, minder regels, meer mens- en werk-gericht.” Helaas blijkt de praktijk een stuk anders te zijn dan de mooie verhalen suggereren, en daar maak ik me grote zorgen over.


Waar gaat het om

Ik ben – als voormalig kandidaat tot de Heilige Dienst in de NHK, nu dus proponent in de PKN – werkzaam in een wijkgemeente in een achterstandswijk in Dordrecht, waarvan de predikantsplaats een jaar of twintig geleden is opgeheven. Door de grote trouw van God en een aantal gemeenteleden is de wijk er nog steeds. De laatste jaren hebben we ons toegelegd op missionaire gemeenteopbouw en we zijn nu zo ver dat we voorzichtig durven zeggen dat dat perspectief lijkt te bieden: voor de oudere gemeenteleden die ons ontvallen, komen jongeren terug, we zijn weer meer zichtbaar in de wijk en er zijn met ‘succes’ nieuwe initiatieven ontplooid (waardonder een missionair jongerenproject, samen met Youth for Christ Dordrecht).

Een praktisch probleem daarbij was en is het feit dat we voor ‘bijzonder diensten’ (doop, avondmaal, bevestiging ambtsdragers, huwelijken) aangewezen zijn op een synodaal-goedgekeurde voorgangers; dat ervaren we (als kerkenraad) niet alleen als onnatuurlijk en ‘on-pastoraal’, maar ook als erg lastig. Dus hebben we naar oplossingen gezocht; daarbij volgden we een dubbel spoor.


Het eerste spoor: ord. 2-18-1

We waren heel blij met de opening die de nieuwe kerkorde bood in ord. 2-18-1: in  (wijk)gemeenten in grootstedelijke gebieden, die in bijzondere missionaire, diaconale en pastorale omstandigheden verkeren, kan aan ambtsdragers de bevoegdheid worden verleend ambtswerkzaamheden van een predikant te verrichten (waaronder de bediening van de sacramenten). Dat zou voor ons een uitkomst zijn, en we konden het artikel niet anders lezen dan dat het ook voor ons geschreven was. Dus hebben we op de eerste kerkenraadsvergadering na 12 december 2003 besloten een brief te sturen aan de classis met het verzoek ons deze toestemming te verlenen.

De classis heeft onze brief in februari 2004 doorgestuurd aan het LDC. Daarna bleef het twee jaar stil. Voor de eerste 1½ jaar is wel een verklaring: de genoemde “daartoe aangewezen organen van de kerk”, die de classis zouden moeten adviseren,  bestaan nog helemaal niet én de kerkenraad is in de loop van 2004 nog een tweede spoor gaan volgen. Maar nadat we in de zomer van 2005 hadden gevraagd de zaak weer op te pakken, heeft het moderamen gemeend een half jaar na die zomer – in januari 2006 – te moeten besluiten het verzoek nog niet aan de classis voor te leggen.

Er is over de vraag geen officieel advies van een bevoegd synodaal orgaan; er is zelfs helemaal geen bevoegd orgaan. Maar het moderamen van uw vergadering heeft zich wel uitgesproken in een brief; het artikel zou bedoeld zijn voor héél bijzondere omstandigheden als drugs- en aidspastoraat. Bovendien komt het oude verhaal over de eenheid van woord en sacrament dan weer op tafel.  Over die argumenten heb ik een paar vragen, waar uw moderamen niet verder op in wenst te gaan; ik citeer uit mijn brief van 21 december a.D. 2005

·         “Kunt u mij uitleggen waarom drugsgebruikers en AIDS-patiënten wél brood en wijn mogen ontvangen uit de handen van een ouderling of diaken en andere zondaren niet?

·         Kunt u mij uitleggen waarom het principe van de eenheid van Woord en sacrament wél geldt voor de ouderling (die niet mag preken en dus ook niet mag dopen enz.) en niet voor de  pastorale werker (die wel mag preken maar toch niet dopen enz.) Wilt u in uw antwoord ook Johannes 4:2 betrekken, waar - terloops - wordt gemeld dat  de leerlingen van Jezus, die toentertijd  waarschijnlijk nog geen preekbevoegdheid hadden, Jezus het werk van het dopen uit handen namen.”


Het tweede spoor: een predikantschap met bijzonder opdracht  
In de loop van 2004 werd mij gewezen op een andere mogelijkheid om ons probleem op te lossen: een missionair óf een diaconaal predikantschap. Dat laatste zou geen probleem moeten zijn; ik werk namelijk een dag in de week voor het College van Diakenen en in onze kerk wemelt het van de diaconale predikanten. Dat was ook de conclusie van de mensen van het PDC in Capelle a/d IJssel, na raadpleging van een kerkrechtdeskundige. Maar toen men er vanuit het College in Utrecht achter probeerde te komen hoe één en ander praktisch geregeld zou moeten worden, bleek men daar heel anders tegen de kwestie aan te kijken. Uw jurist kwam, óók na raadpleging van dezelfde kerkrechtdeskundige, met de mededeling dat zo’n predikantschap een oneigenlijk gebruik ervan zou zijn. Het precieze argument is voor een gewoon mens niet te volgen, maar het heeft iets te maken met het verschil tussen een instelling en een ambtelijke vergadering. (Dat bellen naar Utrecht was trouwens wel een ‘dure les’: als we niks gevraagd hadden aan  Utrecht, was er geen vuiltje aan de lucht geweest en had ik gewoon tot (diaconaal) predikant bevestigd kunnen worden.  Aldus, in de wandelgangen, de mensen uit Capelle.)  In de AK van Dordt voelde men – tot op heden - weer niet voor een missionair predikantschap; kortom: voor iedere oplossing wist wel iemand een probleem.
·         Kunt u mij uitleggen waarom er in het hele land diaconale predikanten benoemd konden en kunnen worden en in Dordt niet.

Stel dat …..

Stel dat we in een verpleeghuis in Dordt of omgeving een demente, 93-jarige emerituspredikant zouden hebben en dat we bij bijzondere diensten deze man of vrouw zouden ophalen, om hem of haar op het goede moment de goede formule uit te laten spreken of de goede handeling te laten verrichten; dat waren we kerkordelijk ‘gedekt’. We doen het niet, het zou uitermate onfatsoenlijk en oneerbiedig zijn, maar misschien is het toch goed als u nadenkt over een dergelijk scenario.

Wat we ook (nog) niet doen, is gewoon onze gang gaan, hoewel dat is het verleden op sommige terreinen een effectieve methode is gebleken; kinderen werden bijvoorbeeld al lang toegelaten aan het Avondmaal vóór het volgens de hervormde (en misschien ook wel de gereformeerde) kerkorde mocht. Maar de verleiding is wel erg groot om te zeggen, in ieder geval te denken: Laat ze maar in hun eigen sop gaarkoken, daar in Utrecht; we doen hier gewoon wat nodig is voor de opbouw van de gemeente.

Tenslotte
 Ik schrijf u deze open brief vanwege de zaak zelf. In de brief die ik u een jaar gelden stuurde, heb ik u gevraagd “op korte termijn een weg te wijzen of te ‘maken’  waardoor we hier in Krispijn onze roeping kunnen volgen en ons werk kunnen doen, niet, of zo min mogelijk, gehinderd door allerlei lastige beperkingen.” Voor uw moderamen en voor het moderamen van de hervormde classis Dordrecht bleek dat te veel gevraagd; ik hoop dat u uw invloed aan kunt én wilt aanwenden om daar verandering in te brengen.
Maar ik schrijf u, zoals ik in het begin van de brief aangaf, ook uit verontrusting over de PKN. In mijn scriptie over de kerk in de stad heb ik dr. Ray Bakke al met instemming geciteerd, maar ik snap nu nog veel beter wat hij bedoelt als hij zegt: "Negentig procent van de barrières voor missionair werk in de stad ligt niet buiten, maar binnen de kerk." Wellicht geldt voor andere delen van de kerk hetzelfde, en het lijkt me zaak dat u daar snel iets aan doet.

Ik wens u wijsheid, zegen en vreugde bij uw wer.

Wim Aanen

 


 

donderdag 9 januari 2014

Korte preek



Vandaag hebben jullie deze schrifttekst in vervulling horen gaan.
Lucas 4;21

De preek die Jezus hield in Nazareth telt in de grondtekst en in de meest gangbare vertalingen niet meer dan tien woorden.  Goed, er komt wel een vervolg, maar dat is naar aanleiding van reacties van de hoorders. De synagogediensten waarin Jezus het woord voerde, waren kennelijk wat interactiever dan onze kerkdiensten.
Maar ondertussen was de preek wel heel erg veelzeggend en werken ze ook wat uit. Er is aanvankelijk instemming, en na de toelichting in de verzen 23 tot en met 27, grote woede en zelfs een poging op de voorganger van die morgen te liquideren.

Jezus kreeg de boekrol van Jesaja overhandigd en las het begin van wat later het 61e hoofdstuk zou worden. In dat gedeelte van het boek wordt het volk, dat berooid is teruggekeerd uit de ballingschap, moed ingesproken; de profeet is gezalfd met de Geest van God “om verslagen harten hoop te bieden”.  Maar dat goede nieuws wordt ook heel concreet: het gaat om vrijlating voor gevangenen en onderdrukten en om blinden die weer kunnen zien. En dan komt Jezus en zegt: het is zover. Vandaag hebben jullie deze schrifttekst in vervulling horen gaan. Met andere woorden: Ik ben de vervulling van deze profetie. Met zijn komst is er wezenlijk iets veranderd, is er toekomst, is er hoop voor eenieder die het uit zijn handen wil ontvangen. En in zijn spreken en handelen zien we het werkelijkheid worden: zieken worden genezen, blinden, zien weer, bezetenen worden bevrijd en schuldige mensen mogen vrij ademhalen omdat hen vrijspraak wordt aangezegd.

Maar ook (zelfs) in Jezus tijd werd het niet altijd en overal zichtbaar. Niet bij Johannes de Doper, bijvoorbeeld. Toen hij gevangen werd genomen door Herodes, liet hij aan Jezus vragen:”Bent u degenen die komen zou of moeten we een ander verwachten?” Jezus wijst ook hem op Jesaja 61: vertel Johannes maar dat het allemaal gebeurt: zieken worden genezen, blinden gaan weer zien (Lucas 7:18-23). Alleen de woorden over de gevangenen die worden losgelaten, ontbreken dan in het antwoord. En voor Johannes komt er ook geen vrijlating aan deze kant van het graf: hij wordt onthoofd.

Er is iets wezenlijks veranderd toen Jezus mens werd. Soms wordt het nu al zichtbaar, soms ook niet. Maar we mogen uitzien naar, en bidden om de tekenen van het Koninkrijk, hier en nu, en naar de definitieve doorbraak: Uw Koninkrijk kome.

 Meditatie in het kerkblad Kerk op Dordt, jaargang 5, nr. 2,  17 januari 2014

maandag 30 december 2013

Goede voornemens en goede doelen



Ik weet niet of christelijke instellingen ook aan goede voornemens doen, maar voor het geval dat zo is, weet ik er nog een: stoppen met het verpakken van uitgaande post in plastic zakjes.

Het hele jaar door krijg ik post van diverse organisaties, meestal van christelijke huize, en veelal ‘goede doelen’. Die laatsten sturen steevast een acceptgirokaart mee. Van sommigen krijg ik twee keer per jaar post, van anderen twaalf of meer. Maar bijna allemaal sturen ze in de tweede of derde week van december een exemplaar van hun periodiek, met daarbij een goede wens voor het nieuwe jaar én de onvermijdelijke  acceptgirokaart. Helemaal niet erg: als ik dat niet wil, had ik ze nooit mijn naam en adres moeten geven en/of wat aan hen moeten overmaken.

Maar kennelijk vinden al die organisaties het nodig  om het geheel dan in plastic te verpakken. En zo kan het gebeuren dat ik medio december op één dag een stuk of zeven plastic zakken van de mat raap. Op sommigen van die zakken staat nadrukkelijk vermeld dat het heel erg milieuvriendelijk plastic is, klimaatneutraal enzo. Nu heb ik weinig verstand van plastic, maar volgens mij hoeft dat ook niet om te snappen dat er geen milieuvriendelijker verpakking is dan géén verpakking. En dat kán gewoon. De enkele keer dat mijn omroepblad me zonder ‘meeverpakt‘ reclamedrukwerk wordt toegezonden, staan mijn naam en adres op de achterzijde geprint en wordt het onverpakte blad net zo keurig bezorgd als al die andere weken, als het blad en de folders in plastic worden afgeleverd.

Dus adverteerders kunnen ook wat doen. Als we nou eens afspreken dat zij hun boodschap gewoon in het blad laten opnemen, desnoods laten meenieten met het blad waarin ze willen adverteren. En als de organisaties datzelfde  dan met hun brieven – inclusief acceptgirokaart – doen, hebben we met elkaar in het nieuwe jaar een flinke berg plastic afval bespaard. 

Op 31 december 2013  als  ingezonden artikel geplaatst in het Nederlands Dagblad.




3 argumenten:  Ik ben voor de boycot van verzenders van in plastic verpakte producten

1 Er zijn afzenders die naam en adres op het poststuk printen. Anderen moeten dat ook kunnen.

2 Veranderingen blijken soms snel mogelijk te zijn (denk aan het verbod op gratis plastic tasjes). Als een landelijke milieuorganisatie (of Arjen Lu­bach) het voortouw neemt voor een boycotactie, kan ook deze verandering snel tot stand komen. Als alle Nederlanders die duurzaamheid belangrijk vinden zeggen dat zij hun abonnement of lidmaatschap opzeggen – of niet langer klant of giftgever willen zijn – komt er misschien al eind december alleen maar papier in de brievenbus.

3 Tegelijk kan in dezelfde campagne ook een boycot van producten in onnodige plastic verpakkingen worden meegenomen.

Op 23 september 2017 als  ingezonden artikel geplaatst in het Nederlands Dagblad in de rubriek  .3 argumenten



woensdag 11 december 2013

Piet en Madiba



Het heerlijk avondje is weer voorbij en misschien is dat het goede moment om een poging te doen als ouders of ouderen de kwestie van de huidskleur van het personeel van Zijne  Hoogwaardige Excellentie Sint Nicolaas op te lossen. Want de critici hebben natuurlijk wel een punt. Alleen al de  woorden die heel veel blanke kindertjes, en soms ook hun ouders, vaak gedachteloos zongen of zingen: Ook (sic!) al ben ik zwart als roet, ik meen het wel goed. Dat kan echt niet meer! Net zo min als we met goed fatsoen kunnen (blijven) zingen dat ons ‘neerlands bloed’ vrij is van ‘vreemde smetten’. Maar ook een personeelsbeleid waarbij mensen met een andere huidkleur dan bruin of zwart worden uitgesloten, is zo’n overdadige vorm van  positieve discriminatie dat het naar racisme neigt.

In de week waarin de hele wereld stil staat bij het overlijden van Nelson Mandela zou het moeten lukken om in  ‘zijn geest’, een oplossing te vinden.  Dus zonder dat we elkaar (nog langer) de tent uitvechten hierover, en zonder nog meer tere kinderzieltjes te beschadigen. Want Madiba, ook ‘zo zwart als roet’, meende het niet allen goed, hij deed het ook goed. Zo goed, dat postuum iedereen z’n vriendje is; wellicht Geert W. en consorten uitgezonderd. Het woord dat zijn handelen kenmerkte is 'verzoening'.

Hoe zou dat kunnen? Nou, misschien zo: ieder jaar dreigt er rond de komst van Sinterklaas een ramp, alwaar het Sinterklaasjournaal getrouw verslag van doet. Op het allerlaatste moment - als de boot al in zicht, of zelfs al aangemeerd is - komt er toch een eind-goed-al-goed oplossing. Geheel vrijblijvend en geheel gratis bied ik een scenario aan voor volgend jaar.

Door allerlei omstandigheden zijn er flink wat vacatures ontstaan in het personeelsbestand van Sint Nicolaas. Dus wordt er een advertentie gezet, waarin belangstellende gevraagd wordt te solliciteren naar een functie als Piet. Maar in het functieprofiel worden wel de nodige werkzoekenden uitgesloten. Zo moeten sollicitanten een zwarte of bruine huidskleur hebben, man zijn en lichamelijk kerngezond en goed getraind. Blanken, Aziaten en Indianen zijn dus uitgesloten, net als vrouwen en mensen ‘met een vlekje’. En die pikken dat niet; ze verzamelen handtekeningen, dienen een klacht in bij de Commissie Gelijke Behandeling en houden een demonstratie bij het Sinterklaashuis (dat, zoals bekend is,  zich in Dordrecht bevindt. )

Aanvankelijk is er veel verzet, zowel van Sint als van de Pieten. De traditie schrijft een zwarte Piet voor en op een traditie moet je zuinig zijn. Maar langzaam maar zeker dringt toch het besef door dat dit standpunt niet vol te houden is: de traditie kan waardevol zijn, maar mag nooit een keurslijf worden die discriminatie bevordert en verzoening in de weg staat. Daarom komt er uiteindelijk een nieuwe advertentie waarin ook anders-gekleurden, vrouwen en mensen die elders moeilijk plaatsbaar zijn vanwege een lichamelijk of verstandelijke beperking, uitgenodigd worden om te solliciteren. Nieuwe werknemers zijn gehouden om de kleurige bedrijfskleding te dragen, maar het is afgelopen met het verplichte verven: niet zwart, en al helemaal niet groen of blauw. Iedere huidkleur is goed, als ie maar echt is.

En zo snappen alle sinterklaasjournaal-kijkertjes hoe het komt dat er een anders-gekleurde Piet met de Sint mee komt naar school. De wereld gaan we er niet mee redden; het haalt het niet bij wat Nelson Mandela in Zuid-Afrika deed. Het is hooguit een kleine oefening in verzoening. Maar daar begint het mee, toch ….?