donderdag 8 december 2022

De Buitenwacht: dezelfde vragen, andere antwoorden

 




In een vorig nummer van dit kerkblad schreef Hans Berrevoets een artikel over De Buitenwacht. Ik ga graag in op zijn verzoek om mijn ervaringen daarmee te noteren.


De eerste keer dat ik over De Buitenwacht hoorde, was in de tijd dat ik nog in de stad Groningen woonde en werkte. Ik was daar evangelist (of: missionair werker),  ‘gestationeerd’ vanuit de IZB. Werkgebied waren een aantal ‘achterstandswijken’; voor wie de stad kent: de Oosterpark en Korrewegwijk.

Het was een periode waarin ‘oecumenicals’ (zeg maar: zij die zich thuis voelden bij het denken in de (Wereld-)raad van Kerken) en ‘evangelicals’ (degenen die zich verwant voelden met de Evangelische Alliantie) stevige debatten voerden; soms lijnrecht tegenover elkaar stonden. 

Zo gingen de wegen uiteen inzake de beoordeling van de andere religies. In mijn kast staat nog een boek met de titel No other Name?; dus met een vraagteken achter de woorden van Petrus dat er “onder de hemel geen andere naam aan de mensen [is] gegeven, waardoor wij moeten behouden worden” (Handelingen 4:12, NBG). Het grote wandkleed dat in De Buitenwacht hangt, laat zien hoe er daar over werd gedacht. Als ik die afbeelding goed interpreteer, zegt het dat alle wegen, alle godsdiensten uiteindelijk op dezelfde plaats uitkomen. 

Dat heeft ook gevolgen voor de manier waarop je je ‘missie’ formuleert en praktiseert. 

Gerrit Jan van der Kolm benadrukte meermaals dat “je pas een boodschap voor mensen hebt, als je eerst een boodschap áán mensen hebt”. Maar dat betekende voor hem niet dat De Buitenwacht, of hij persoonlijk, een boodschap zou hebben voor mensen; hij wilde juist de neiging tot het hebben en brengen van boodschappen tegengaan. 


Toen ik eind vorige eeuw zo ver was gevorderd met mijn (deeltijd-)studie dat ik een scriptie moest schrijven, besloot ik dat te doen over de kerk in kansarme of acherstandswijken. Ik beschreef vier projecten uit de beide ‘kampen’, daaronder ook De Buitenwacht. Onderdeel van dat onderzoek was een interview met Gerrit Jan van der Kolm. Ik herkende mij lang niet altijd zijn antwoorden (zoals de opvattingen hierboven genoemd). Maar veel vaker herkende ik mij wél in de vragen die hij stelde aan ‘de kerk’ en kerkmensen: “ze zijn vervreemd van de onderlaag van de maatschappij, ze laten de kansarme wijken in de steek en ze zijn vooral bezig met ‘overleven’ ’’. Zo was (en is?) het nog steeds niet ongebruikelijk om in wijken waaruit ‘onze mensen’ - de blanke middle-class kerkgangers - wegtrokken het kerkgebouw van de hand te doen en de predikantsplaats op te heffen. En volgens mij is dat nou juist níét de bedoeling van Hem die ons opdroeg alle volken tot zijn leerlingen te maken. 


De Buitenwacht is nog steeds volop actief. Maar de verbinding met de kerk is wel erg minimaal geworden. Behalve de glas-in-loodramen aan de voorkant van het gebouw en het eerder genoemde wandkleed herinnert weinig meer aan het feit dat het drie theologen waren die eertijds De Buitenwacht van de grond tilden.

Tegelijkertijd zijn er in de afgelopen decennia tal van initiatieven geweest van kerkelijke gemeenten die betrokken wilden zijn op hun buurt; het voorbeeld van De Buitenwacht heeft daar waarschijnlijk ook een rol in gespeeld. Toen de PKN ontstond, is er in ieder geval één heel verstandig besluit genomen: er werd meer bezuinigd op allerlei zaken dan nodig, om zodoende ruimte te maken voor nieuwe initiatieven. Daaronder ook de totstandkoming van pioniersplekken: projecten om met andere vormen mensen te bereiken dan er (nog) in de kerk kwamen en komen. Rond de Petruskapel kwam zo’n pioniersplek, Staartlicht. Hopelijk betekent dat niet alleen dat het gebouw intensiever wordt gebruikt, maar heeft het ook betekenis voor de wijkgemeente aldaar. Toen ik er vorige maand mocht voorgaan, heb ik het gehad over de opdracht voor Gods volk om vrede/bloei te zoeken voor de stad, maar deze keer vooral ook over de belofte die daaraan verbonden is: “Want als het goed gaat met Babel [de stad, de Staart], dan gaat het ook goed met jullie!” (Jeremia 29:6, BGT). 

En om nog een recenter voorbeeld te noemen: de Gereformeerde Gemeente in de Julianakerk gaat van haar pastorie een inloophuis maken! 


Wim Aanen


NB

De genoemde scriptie over Missionaire presentie in kansarme stadswijken  - waar de citaten in dit verhaal uitkomen - is digitaal gratis beschikbaar voor belangstellenden. Stuur daarvoor een mailtje naar j.w.aanen@solconmail.nl. 

Genieten van genoeg


Als schuldhulpmaatje kon ik al langer regelmatig meekijken naar de financiële situatie van stadsgenoten. Het laatste halfjaar komt ook vaak het budget van landgenoten tot ons via de media. Soms is die informatie schrijnend; de torenhoge gasprijzen en de inflatie zorgen ervoor dat mensen die altijd al heel goed op hun centen moesten letten, nu structureel geld tekort komen. Maar ook zij die zich eerder aardig konden redden, komen nu soms in de problemen. De stijgende vraag om hulp bij de  Voedselbank spreekt boekdelen. Sommige mensen  maken rigoureuze keuzes: iemand liet de gasaansluiting afsluiten zónder dat ze een alternatief had. Liever in de kou dan in de schulden, was haar argument.


Maar vaak valt me ook iets anders op: kennelijk zijn we heel veel zaken als ‘noodzakelijke levensbehoefte’ gaan beschouwen. En is het ook in deze tijd heel lastig dingen - al dan niet tijdelijk - te laten staan. Zo probeer ik aan mensen met een heel krap budget wel eens duidelijk te maken dat ze een flinke slag kunnen slaan door de (of: een) auto weg te doen, zeker als die alleen maar wordt gebruikt om naar de supermarkt te rijden en/of de kinderen naar school te brengen. Maar die suggestie is veelal ’vloeken in de kerk’. En een leven zonder Netflix schijnt ook heel lastig te zijn, net als een bestaan waarop je niet meer kunt hopen op een prijs van miljoenen in een loterij, zodat je wel móét doorgaan met loten kopen. De vraag is of christenen in dit soort dingen ‘geheel anders’ zijn. 


Genieten van genoeg is de titel van een boekje dat geschreven werd door de Albasserwaardse boerendochter Martine Vonk, die in 2019 - op nog maar 45-jarige leeftijd  -  overleed. Het was ook het motto van de christelijke  jongerenbeweging rond leefstijl, armoede en milieu Time to turn, waar ze vorm én leiding aan gaf. Martine wilde beide, genoeg én genieten, benadrukken. “Als je alleen maar bezig bent met ‘genoeg’ kun je namelijk heel zuur worden”, schrijft ze. 

De woorden komen allebei voor in 1 Timoteüs 6, het hoofdstuk over geld met daarin de beroemde woorden dat geldzucht de wortel van alle kwaad is. In vers 17 gaat het over “God, die ons rijkelijk van alles voorziet om ervan te genieten”. Zou het zo kunnen zijn dat met dat ‘alles’ datgene is bedoeld wat voor ons genoeg moet zijn (vers 8, NBG; waar we tevreden mee moeten zijn, NBV en HSV): voedsel en kleding. 

In een formuliergebed voor na de maaltijd baden of bidden we ook in deze trant. Eerst wordt God van harte bedankt voor ‘nooddruft en overvloed’ (waarbij dan weer de vraag speelt wat nooddruft is en wat overvloed), in het besef dat “menig mens eet brood der smarte” terwijl wij “mild en wèl gevoed” worden. Wat volgt is het gebed dat we niet aan vergankelijke dingen vast zullen zitten, maar alles doen wat God gebiedt. 

Het taalgebruik is sterk verouderd en ik heb mensen dit gebed horen bidden terwijl ik me afvroeg: Verstaat gij wat gij bidt?. Maar het lijkt me de moeite waard in ieder geval de strekking ervan te behouden of ons weer eigen te maken. Om in ons dankgebed ook te belijden dat het niet vanzelfsprekend is dat we in ons land bijna allemaal nog beschikken over ‘bad, brood en bed’ (en vaak over veel méér), terwijl heel veel anderen op deze aardbol dat missen. Dus uitspreken dat veel van wat aan velen van ons wordt geschonken overvloed is. En dat we daarna dan ook bidden of God ons ervoor wil bewaren dat we anders met ons bezit omgaan dan Hij bedoelde. Door genoeg te hebben aan genoeg. Én daar dan van te genieten. 



(Beluister het kinderlied Genieten van genoeg van Elly Zuiderveld, https://www.youtube.com/watch?v=iShXKcQdQzY )

woensdag 7 december 2022

Een behouden aankomst, géén kalme reis

Het NBG-bijbelleesrooster vermeldde voor de dagen rond Pasen ook lezingen uit Jeremia. Uitermate boeiende hoofdstukken. Op het gevaar af dat deze PS teveel op (nog) een meditatie gaat lijken, of op een bijbelstudie, wil ik er het er over hebben. Want het heeft naar mijn bescheiden mening heel veel te maken met de tijd waarin we leven, en die we tegemoet gaan. 

 Jeremia moet het tweestammenrijk duidelijk maken dat de maat vol is: ook zij zullen in ballingschap worden gevoerd. Met daarbij het advies zich daarbij neer te leggen (27:12). 
 In het volgend hoofdstuk lezen we dan over twee profeten die dat beiden niet ontkennen, maar er wel een verschillende conclusie aan verbinden: Chananja stelt het volk gerust met het bericht dat de ballingschap na twee jaar weer voorbij zal zijn, Jeremia is de zwartkijker die duidelijk maakt dat de ‘straftijd’ van 70 jaar echt helemaal uitgediend moet worden. 
 Het is niet eenvoudig voor het volk om te weten wie de ware profeet is: beiden spreken profetentaal: “dit zegt de HEER…”. En de boodschap van Jechonja is ook heel bijbels: God is met ons, Hij neemt het op voor Zijn volk. Maar dit is een oude preek die hij nu een-op-een toepast in een veranderde situatie. En dan wordt zo’n ‘ware’ profetie ineens zomaar een valse. 
In hoofdstuk 29:11b staat het zeer geliefde bijbelvers waarin God tegen zijn volk zegt: “Ik heb jullie geluk (shalom) voor ogen, niet jullie ongeluk: ik zal je een hoopvolle toekomst geven.” Een geweldige belofte, maar wel een die we ook in z’n verband moeten lezen: gericht aan een volk dat nog een lange, lange periode van vreemdelingschap tegemoet gaat, ver weg van het Beloofde Land, en dus ook van de tempel. In de woorden van de oude christelijke tegeltjeswijsheid: God belooft zijn volk niet een kalme reis, wél een behouden aankomst. 

 Nu zijn wij Israel niet, en Poetin is niet koning van Babylonië. Maar als we ons de belofte toe-eigenen, moeten we dat ook met de context doen. En misschien betekent dat vandaag wel dat niet de ‘juichende profeten’ gelijk krijgen die ons toeroepen dat we na twee jaar corona weer teruggaan naar het oude normaal, maar dat zij de valse profeten blijken te zijn. Het gaat te ver om de ‘duiders’ van de oorlog in Oekraïne het etiket ‘ware profeten’ op te plakken, maar misschien hebben zij wel méér gelijk dan wij graag willen als ze uitleggen dat er iets fundamenteel veranderd is nu er oorlog is in Europa, en we dus niet zomaar terug zullen gaan naar de situatie van voorheen. Ook als we Nederland niks gaan merken van een gewapende strijd, dan nog heeft het gevolgen; in ieder geval voor onze portemonnee. Dat betekent voor de ‘arme kant’ dat boodschappen doen en stoken nog problematischer wordt, voor de meer welgestelden dat niet alles meer kan wat voorheen wel kon. Drie keer per jaar op vakantie naar een zonnig oord, bijvoorbeeld. 

 Tot de context van de belofte hierboven behoort ook de bekende opdracht in 29:4-7. Het volk moet niet de jaren van de ballingschap ‘uitzitten’ of ‘uitdienen’, maar actief burger zijn in, en bidden én zich inzetten voor haar shalom (voorspoed, bloei, welvaart en ‘dat het goed gaat met de stad’). Of het goed gaat met Gods volk, lijkt daarvan zelfs afhankelijk te zijn: … want de shalom van de stad is ook jullie shalom. We weten niet hoe de reis eruit gaat zien, de komende jaren (of decennia); wél dat ons een behouden aankomst is beloofd. Én we weten wat ons te doen staat.

woensdag 12 januari 2022

Kerkgebouw ≠ tempel

The 'Tree church', Kanimo, Ghana  

In zijn bijdrage aan de opiniepagina van het ND van 31 december 2021 vraagt ds. Karel H. Bogerd wat we doen met het gebed van Salomo in 2 Kronieken 6 vers 12-42. Verderop citeert hij uit hetzelfde bijbelboek (20:7-9) het gebed van Josafat. In beide gedeelten gaat het over de tempel als plaats van gebed in tijden van nood. 

Als ik Bogerd goed begrijp, is zijn vraag: hoe kunnen wij ons op dezelfde manier verootmoedigen en als kerk bidden als het volk Israel dat deed bij de tempel, als we niet op de normale manier - het 'oude normaal' - gebruik mogen maken van onze kerkgebouwen.

 

Het kerkgebouw is geen tempel

Het begin van het antwoord lijkt me te zijn dat je geen is-gelijkteken kunt zetten tussen de tempel in Jeruzalem en onze kerkgebouwen. In de tempel gebeurde iets fundamenteels toen op het tijdstip dat Jezus stierf aan het kruis het voorhangsel scheurde, en later toen de tempel werd verwoest. Het joodse volk is toen niet opgehouden met bidden, en de christelijke gemeente ook niet. Men kwam vooral samen in huizen, maar ook in de open lucht (Handelingen 16:13 en 16), en een gehoorzaal (die was wellicht gehuurd van een heidense leraar, misschien wel tijdens diens siësta, Handelingen 19:9). Daarna duurde het nog een paar eeuwen voor de kerk over eigen gebouwen beschikte. 

Maar ook vandaag komen er christenen samen in omgebouwde bouwmarkten, parkeergarages (de Bijlmer), buurthuizen, aula’s van scholen en noem maar op. En naar Zijn belofte is Jezus daar waar twee of drie - dus binnen de thans geldende coronanormen - samenzijn in Zijn Naam. In landen waar de kerk lijdt, beschikt ze veelal niet over eigen gebouwen, orgels, torens met klokken erin en al die andere dingen waarvan wij vinden dat ze onmisbaar zijn. Maar ze is er niet minder kerk om!

Als ik collega Bogerd een tegenvraag mag stellen: wat doen we met het gegeven dat zowel Stefanus (in Handelingen 7:48) als Paulus (in Handelingen 17:24) benadrukken: “de Allerhoogste woont niet in tempelen, met handen gemaakt”?

 

Er is natuurlijk niet perse iets mis met eigen kerkgebouw, zeker niet als het op zo’n fantastische manier wordt gebruik als door Pinkstergemeente Oase in Arnhem (ND 6/1, p. 6 en 7). Voor veel gebouwen geldt echter dat ze slechts één dag per week, of maar een paar uur, open zijn en ondertussen wel een groot deel van de begroting van de kerkelijke gemeente opslokken. En soms ook nog erg veel energie gebruiken in verhouding tot het gebruik. 

 

Digitaal bidden

Ook in deze coronatijd kan de gemeente van Jezus Christus de nood van de wereld en van de kerk bij God brengen; met twee of drie in een huiskamer of tijdens een wandeling. Maar het kan dus ook met grotere aantallen voor de laptop. Van 16 t/m 23 januari wordt weer de Week van gebed voor eenheid gehouden. Dan kan rondom Teams, Zoom of een livestream de plek worden waar de gemeente van Jezus Christus zich verzamelt om God te prijzen, zich te verootmoedigen en God te bidden voor de nood in de wereld, onze stad, dorp en kerk. 

En als het om verootmoediging gaat: op de site van de Week van Gebed 2022 lees ik “aan de vooravond van de Week van gebed voor eenheid vindt op zaterdag 15 januari een Nationaal Gebed plaats. De initiatiefnemers zijn getroffen door de verdeeldheid  tussen mensen, in geloofsgemeenschappen en de samenleving naar aanleiding van de aanhoudende coronacrisis. In het gebed wordt God gevraagd om vrede, verbinding, mildheid en eenheid”. Hopelijk haakt Wouterswoude ook aan.


Korte, bewerkte versie in het ND van 11 januari 2022

donderdag 2 december 2021

De toekomst is ook niet meer wat ie geweest is


Over de toekomst is het altijd wel gegaan in de kerk; theologen hebben zelfs een naam voor dit onderdeel van hun vakgebied: eschatologie, de leer van de laatste dingen.Maar de kerk zou de kerk niet zijn, en theologen geen theologen, als zij het ook over dit onderwerp niet van harte oneens zouden zijn. Bijvoorbeeld over de vraag of je dan misschien wel niet de dag en het uur van de wederkomst kunt berekenen, maar wel het jaartal. En of een oorlog of hongersnood alleen het gevolg is menselijk falen, van de zonde, of ook van een signaal van God om extra waakzaam te zijn.

Wellicht las u in de jaren 70 ook de bestsellers van Hal Lindsay, en/of zag u een ontzettend spannende film waarin ineens allerlei mensen van de aardbodem verdwenen waren: de spits van een voetbalelftal, die net op het punt stond te scoren, de bijrijder - gelukkig niet de chauffeur - in een auto: ineens ‘opgenomen’, zoals Jezus al aankondigde in Mt. 24: 40, 41 en Paulus in 1 Th. 4:13 - 18 (zoek op Left behind). In dit ‘scenario’ worden de ware gelovigen thuisgehaald vóór de grote verdrukking van zeven jaar aanvangt. Na die zeven jaar komt dan het  1000-jarige Vrederijk, en aan het einde daarvan de laatste opstand van de duivel, het laatste oordeel en het sluitstuk: de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. 

Mocht u zich er in willen verdiepen: materiaal genoeg op internet en in de (antiquarische) boekhandel. Ook met weerleggingen van  bovengenoemd eindtijdscenario; de vrijgemaakte dominee Tj. Boersma schreef een boek met de veelzeggende titel De bijbel is geen puzzelboek.  


Maar de toekomst is ook niet meer wat ie geweest is; die kreeg de afgelopen (corona-)tijd een nieuwe impuls doordat christenen - niet in het minst christenen die altijd veel nadruk legden op de opdracht om niet wereldgelijkvormig te worden - de wederkomst koppelden aan populaire seculiere complottheorieën. 

Bekend werd de afgelopen weken vooral die over de Great Reset. Dat is een geesteskind van het World Economie Forum om na de coronapandemie de wereldeconomie duurzaam opnieuw op te bouwen; build back better (opnieuw opbouwen, maar dan beter) is het motto. Dat lijkt me een goed idee: wat minder rijkdom voor de rijken, wat meer te besteden voor de armen van de wereld. Maar complotdenkers zien hier een poging van ‘de elite’ om alle macht naar zich toe te trekken ten koste van nationale soevereiniteit, democratie en privacy van de burger. 

Beatrice de Graaf noemt als kenmerk van complottheorieën dat ze “heel erg plakkerig” zijn. En dat bleek de afgelopen weken toen een gerespecteerd, orthodox PKN-predikant, Paul Visser, in een preek over Openbaring 13 de woorden uit dat hoofdstuk verbond met de Great Reset. Een preek die inmiddels een half miljoen  keer beluisterd schijnt te zijn. Overigens ook een preek waarover Visser recent spijt heeft betuigd (“ik besteedde te uitgebreid aandacht aan allerlei speculatieve theorieën, met een soms onzorgvuldige woordkeus”) maar die omarmd is door complotdenkers als  Thierry Baudet en ‘topmodel’ Doutzen Kroes. 

(Een luistertip met informatie én duiding over dit onderwerp door Beatrice de Graaf en Stefan Paas: De ongelooflijke Poscast #68.)


Maar wat moet je hier nu mee als huis-, tuin- en keukengelovige? In ieder geval ook op dit gebied niet wereldgelijkvormig, niet plakkerig  worden. En blijven nadenken over wat ons geopenbaard is over de toekomst. Maar niet allen over de vraag hoe en wanneer het allemaal gaat gebeuren, maar vooral over wat ons te dóén staat. Daarmee eindigt Jezus zijn lange antwoord (in Mt. 24 en 25) als Hem gevraagd wordt naar de toekomst: de hongerigen voeden, dorstigen laven, vreemdelingen huisvesten, naakten kleden en zieken en gevangenen bezoeken. 


donderdag 4 november 2021

Vóór het leven


SGP-senator Diederik van Dijk vraagt in zijn column Tegen de stroom in (ND 2 november) aandacht voor het grote kwaad dat abortus is. Ik ben het met hem eens dat het de moeite waard is dat kwaad te bestrijden; we hebben inderdaad misschien wel wat te makkelijk die strijd als verloren beschouwd. Maar er zijn hele goede argumenten om te betogen dat er vanaf het allereerste begin, dus van de conceptie, sprake is van beschermwaardig leven.  


En toch schuurt het. Dat heeft te maken met het feit dat ik de partij van Van Dijk  zelden of nooit als bondgenoot heb ervaren als het gaat om allerlei andere levensbedreigende situaties. Hij noemt de strijd tegen de slavernij, waarbij christenen een belangrijke rol speelden, als inspirerend voorbeeld voor christenen die zich nu tegen abortus (zouden moeten) verzetten. Maar we weten inmiddels heel goed dat er nog steeds veel slavernij is, wereldwijd. En niet alleen in de prostitutie, maar ook in grote delen van wat wij de Derde wereld noemen die maakt dat wij in Nederland zo lekker goedkoop allerlei producten kunnen kopen. Daar zou ik de SGP ook wat vaker over willen horen. 

De SGP was ook altijd een ‘boerenpartij’, en ik heb nog niet gemerkt dat er in deze partij al iemand is opgestaan die binnen zijn partij blijk geeft van voortschrijdend inzicht met betrekking tot de onhoudbaarheid van de huidige praktijk (zoals Derk Boswijk dat doet binnen het CDA).

Met andere woorden: op veel terreinen lijkt de SGP een partij die juist niet tegen de stroom in roeit. Dat is de partij wel als het om abortus, euthanasie en de ‘sabbatsheiliging’ gaat. Maar de klimaatcrisis en de armoede in grote delen van Gods wereld, met het ontbreken van goede gezondheidszorg als gevolg, kosten óók mensenlevens. En het kan toch niet zo zijn dat die minder zwaar wegen dat de ongeboren kinderen in Nederland. 


De komende weken zijn er in ieder geval twee mogelijkheden om te ‘marcheren’ vóór het leven’. A.s. zaterdag 6 november is er in Amsterdam een grote klimaatmars, en een week later, op 13 november, in Den Haag én - bij voorkeur - digitaal bij de Mars voor het (ongeboren) leven. Dat doet me denken aan twee ‘radicale evangelicals’, Evert van der Poll en Rob van Essen. Over de laatste lees ik (in zijn korte biografie in in Typisch evangelisch, p. 219): ‘Zijn leven lang belichaamt hij een vorm van christen-zijn die vroom en radicaal tegelijk is. Zo loopt hij in de jaren tachtig mee in demonstraties tegen abortus en tegen kernwapens met hetzelfde spandoek: ‘Vóór het leven!’’ Ik begreep ooit dat hij daarin samen optrok met mede-Reveil-redactielid Evert van de Poll. Zij waren wel de enigen; verder was je óf tegen het een óf tegen het ander. Doorvertaald naar onze tijd: je bent vóór het ongeboren leven, of je bent vóór het leven dat bedreigd werd door oorlog, honger, uitbuiting, en natuurrampen die het gevolg zijn van de opwarming van de aarde. 


Evert van der Poll en zijn echtgenote Janna Stapert schreven overigens in 1988 al een boek over de milieucrisis: Als het water bitter is, Evangelisch denken en de milieucrisis. Weliswaar ná het rapport van de Club van Rome, maar toch…. Christenen liepen misschien niet voorop, maar - net als bij de slavernij - waren ze waren wel vertegenwoordigd in de voorhoede. Christenen, en - nu ook de klimaatmars op zaterdag is - óók staatkundig gereformeerde christenen, kunnen deze maand met hetzelfde bord twee marsen lopen: vóór het leven. 


In verkorte vorm geplaatst op de opiniepagina van het Nederlands Dagblad van 4 november 2021. 

zondag 19 september 2021

Vragen bij 'Dat mag gewoon niet'


Als het om preekbevoegdheid gaat, kan ik me wel vinden in de lijn De Kok/Eschbach (ND 15/9). In Groningen en Friesland ben ik indertijd ook diverse keren onbevoegd voorgegaan; daar verwoordde een predikant het ongeveer zo: liever iemand die zich niet houdt aan de kerkorde dan iemand die de meest fundamentele zaken van de belijdenis aan zijn of haar laars lapt. Het gaat er op dit punt overigens in sommige delen van het land al heel lang gemoedelijk aan toe: iemand vertelde mij dat hij ooit als rechtenstudent in de bibliotheek van de theologische faculteit in Groningen zat, toen een secretaresse haar hoofd om de deur stak met de vraag wie er de zondag daarop in een dorp in de provincie wilde voorgaan. ‘Als ik toen mijn hand had opgestoken en ’s zondags naar het dorp was afgereisd, had er waarschijnlijk geen haan naar gekraaid’, zei hij.
 

Maar in het artikel 'Stop onbevoegd preken' (ND 13/9) gaat het ook over sacramentsbevoegdheid; mijn ‘stokpaardje’. Al in 2006 stuurde ik een open brief aan de synode over de knellende situatie in onze wijkgemeente (zie mijn blog). Zo vroeg ik n.a.v. de uitleg die ik kreeg over een bepaling in de nieuwe PKN-kerkorde ‘waarom drugsgebruikers en AIDS-patiënten wél brood en wijn mogen ontvangen uit de handen van een ouderling of diaken en andere zondaren niet?‘ En ik wilde graag weten waarom het veelgehoorde argument over de de eenheid van Woord en sacrament wél geldt voor de ouderling (die niet mag preken en dus ook niet mag dopen enz.) en niet voor de pastorale werker (die wel mag preken maar toch niet dopen enz.). De vragen die ik stelde, zijn nooit beantwoord. Of het moet zijn met de uitspraak van De Reuver: ‘dat het gewoon niet mag'.
 
Ondertussen zijn er wel versoepelingen geweest, zodat sommige HBO-ers mogen preken en de sacramenten bedienen. Maar die hebben soms weer bizarre gevolgen. Zo mocht ik indertijd in onze wijkgemeente de sacramenten niet bedienen omdat ik er geen predikant kon worden. Dat was niet omdat ik niet de goede opleiding had, maar omdat de wijkgemeente financieel niet draagkrachtig genoeg was om mij als zodanig aan te stellen. Dus geen sacramentsbevoegdheid vanwege de centen! Die beperking geldt ook voor mijn opvolger, eveneens academisch geschoold. Maar hij kan niet profiteren van de doorgevoerde versoepelingen, nota bene omdat hij tevéél opleiding heeft; die zijn er uitsluitend voor HBO-ers. Wie het vatten kan, die vatte het. 
 
In het artikel gaat het ook om de ‘bescherming van de beroepsgroep’; hier van HBO-ers. Ik ben bang dat dit ook al heel lang een zwaarwegend argument is als het om predikanten gaat: die dominee moet ‘beschermd’ worden tegen allerlei ‘onbevoegden’. 
Dat er eisen worden gesteld aan degenen die de kansel beklimmen in de kerk, is begrijpelijk en goed, al denk ik ook dat een academische opleiding geen garantie is voor een vruchtbare verkondiging. Maar als het om de bediening van de sacramenten gaat, is die beperking me absoluut niet duidelijk. Ik hoop vanuit de synode nog steeds te vernemen wat er op tegen is dat - bijvoorbeeld - een godvruchtige ouderling doopt en het Avondmaal bedient, terwijl deze ambtsdrager wél gemeenteleden op hun sterfbed mag begeleiden. En waar de evangelische voorganger in de fout ging toen hij tegen gemeenteleden die klaagden dat het Avondmaal zo weinig werd gevierd in de gemeente, zei: ‘Dan doe je dat toch in je bijbelkring’. 
 
Als protestanten geven we hoog op van het sola scriptura, en van het priesterschap aller gelovigen. Dan hoor ik graag wat in dit verband de betekenis is van Johannes 4:2, waar terloops wordt vermeld dat Jezus ‘overigens’ niet zelf doopte, maar dat aan zijn leerlingen overliet, en van 1 Kor. 1:14-17, waaruit blijkt dat Paulus kennelijk dezelfde lijn volgde: zelf preken, maar het dopen aan anderen overlaten. En ik krijg graag een uitwerking van Handelingen 2:46, waar vermeld wordt dat de 3.000 nieuwe gelovigen ‘het brood bij elkaar thuis’ braken; daarbij zullen ze toch ook niet gewacht hebben tot er een bevoegde apostel langs kon komen. 
 
In de (presbyteriale) PKN zijn belangrijke beslissingen over het gemeenteleven - zoals de vraag of kinderen aan het Avondmaal mogen deelnemen en of homo-relaties gezegend mogen worden - aan de kerkenraad overgelaten (‘de gemeente gehoord hebbend’). Zou het dan ook niet voor de hand liggen om diezelfde kerkenraad te laten uitmaken wie in het midden van zijn gemeente de sacramenten mag bedienen, en wie hij wil toelaten tot de kansel? 
 

Gepubliceerd in het Nederlands Dagblad van 20 september 2021, pp. 12 en 13.
De genoemde Open brief aan de synode - met als titel Voor iedereen oplossing een probleem - stond in Woord & Dienst van 18 maart 2006, maar is ook te lezen als bijlage bij een eerder artikel over sacramentsbevoegdheid op deze blog, zie https://wimaanen.blogspot.com/2014/02/sacramentsbevoegdheid.html