dinsdag 15 oktober 2013

Hervormd & evangelisch



Vorige maand vond ik op het lectuurrek van onze wijkgemeente twee exemplaren van het blad De Waarheidsvriend. Voor wie het niet weet: dat is de ‘wekelijkse uitgave van de Gereformeerde Bond’; vroeger in de Nederlandse Hervormde Kerk, nu in de Protestantse Kerk in Nederland.
Nu ligt er op dat rek  wel vaker ongevraagd – en soms ongewenst – reclamedrukwerk, maar hier zit wat anders achter, vermoed ik. Het ging namelijk om het nummer van 7 maart 2013, met het thema dat ook boven deze blog staat: Hervormd & Evangelisch. ‘De bond’- zoals deze modaliteit in de Protestantse kerk kortheidshalve wordt aangeduid – heeft maar liefst 18.000 exemplaren extra laten drukken van dit nummer, dat ook nog eens ‘extra dikke uitgave’ is. Omdat onze wijkgemeente zich wel eens gekscherend ‘hervormd op evangelische grondslag’ noemt – naar analogie van de bonders, die  zichzelf  vaak aanduiden als ‘hervormd op gereformeerde grondslag’ - heeft het wellicht iemand goed gedacht ons twee van de 18.000 extra exemplaren te schenken. Dank daarvoor!

Maar ondertussen wel jammer dat het anoniem gebeurde. Want ik ben zo benieuwd naar de motieven van de goede gever. Leek het hem of haar wel interessante kost voor ons om te zien hoe er in de bond over ons wordt gedacht, of wilde hij of zij ons ernstig waarschuwen voor de koers die we varen. Dat was namelijk wel heel vaak de teneur van wat geschreven werd over evangelicals in de bond en verwante ‘bevindelijk gereformeerde’ kerken. Stadsgenoot dr. Fred van Lieburg kan het zich ook nog herinneren; in een column in het blad schrijft hij:  ”… zelfs op de middelbare leerschool van interkerkelijkheid stonden ‘evangelischen’ aan de kant van de sekten en stromingen of het juichend christendom. Ze miskenden de belijdenis, de bekering, het verbond, de ambten en wat al meer.” Ik heb ze zelf ook wel onder ogen gehad: (catechisatie-)boekjes waarin de Pinkstergemeenten, soms ook de Baptisten en de mensen van het Zoeklicht, vrolijk tussen de Mormonen en Jehovagetuigen werden geschaard; soms zelfs tussen groepen die verwant waren aan de oosterse godsdiensten.
25 jaar gelden besteedde De Waarheidsvriend ook aandacht aan het onderwerp; toen omdat veel jongeren overstapten naar een evangelische gemeente, nu vooral omdat veel mensen die ‘evangelische invloeden’ ondergingen daarmee in de kerk blijven. Tot ‘overgedoopte’ ambtsdragers aan toe. Als het om de beoordeling gaat, constateert Van Lieburg: ”De scherpte is er misschien wat af, maar de kritische beeldvorming leeft voort.”

Nu kan ik me best wat voorstellen bij het oordeel  van ds. P. Nobel uit Waddinxveel. Hij bezocht de baptistengemeente Ichthus in zijn woonplaats en hoorde daar een goede preek over Prediker 1 (“zeer inhoudelijk en gedegen”) maar knapte af op de “theologische oppervlakkigheid in de praatjes van de aanbiddingleidster en de leidinggevende oudste” (in evangelische gemeenten neemt met de vermaning uit 1 Kor. 14 dat ‘ieder iets’ heeft wat serieuzer dan in de traditionele kerken; een prediker preekt alleen maar, anderen gaan voor in de andere delen van de dienst. Met, inderdaad,  soms tot gevolg dat er weinig samenhang is tussen de verschillende delen).
In alle jaren dat ik contacten heb met zusters en broeders uit evangelische gemeenten heb ik ook meer dan eens  last gehad van kromme tenen. Alle vooroordelen die er tegen evangelischen bestaan heb ik wel een keer bevestigd gezien. En ik heb ook ontdekt dat het niet alles goud is wat er blinkt en dat evangelische gemeenten soms worstelen met problemen waar we in de traditionele kerken veertig jaar geleden mee te maken hadden, en soms nog hebben: jongelui die zitten te donderjagen op de achterste rij, bijvoorbeeld, of gemeenteleden die heel gemakkelijk een paar weken het bezoek aan de dienst overslaan. En ook in dit segment van de Christus’ kerk  gaan mensen scheiden of komen uit de kast als homo en moet een broederraad daar wat mee.
Maar wat geldt voor evangelischen, is ook van toepassing bij  reformatorische kerken, en bij de ‘midden-orthodoxen’ -om maar even bij de hervormde terminologie te blijven -: je kunt alle vooroordelen wel ergens bevestigd krijgen. En gelukkig blijkt uit het genoemde exemplaar van de Waarheidsvriend dat dat besef er ook bij de bond is.

Waarom ik me verwant voel met de evangelische beweging binnen de PKN  is het feit dat men de goede elementen uit de eigen kerk wil verrijken met die uit de wereldwijde evangelische beweging. Daartoe is ooit het Evangelisch Werkverband binnen de Protestantse Kerk in het leven geroepen.  Predikanten vroegen zich af het echt nodig was om te kiezen: de zaken die ze in hun christelijke studentenvereniging of in organisaties als Youth for Christ hadden leren kennen en waarderen loslaten óf zich aansluiten bij een evangelische gemeente. Met de oprichting van het EW koos men voor een – wat mij betreft: uiterst heilzame – derde weg.

Evangelische delen met de  Reformatoren de sola’s, met de mensen van de Nadere reformatie de nadruk op een persoonlijk geloof en geloofsbeleving en met de mensen van het Reveil de nadruk op de missionaire taak van alle gelovigen. En, misschien moet je daaraan toevoegen: ze hebben tegenwoordig vrij breed te overtuiging dat de gaven van de Heilige Geest (de charismata) ook vandaag nog geschonken worden en dat het niet aan de Heilige Geest ligt dat we daar in de Westerse kerk zo weinig van merken. Een les die ze dankbaar leerden van de Pinkster- en Volle Evangeliegemeente.
Youth for Christ heeft als motto: Geared to the Times, Anchored to the Rock. Dat is, wat mij betreft, evangelisch op z’n best: je houdt vast aan het fundament, maar staat en gaat daarmee volop de wereld in om  te delen wat je zelf hebt ontvangen.
  
Drs. P.J. Vergunst, secretaris van de bond en hoofdredacteur van de Waarheidsvriend, schrijft in zijn bijdrage aan dit nummer dat het niet wil inzoomen op de theologische overeenkomsten en verschillen tussen gereformeerden en evangelischen, maar “kerkenraden en gemeenteleden wel handvatten bieden voor het (geloofs)gesprek binnen de gemeente, voor het formuleren van beleid (…) vanuit het besef dat we inde christelijke gemeente aan elkaar gegeven zijn en ieder geroepen is haar met de eigen gaven te dienen, tot haar opbouw”. Goeie zaak; alleen blijft het dan hopelijk niet bij een binnenkerkelijk gesprek, maar probeert men ook eens te ontdekken wie die evangelischen – in hun eigen kerk en/of daarbuiten – nu werkelijk zijn. Om misschien wel tot de ontdekking te komen dat de overeenkomsten veel groter te zijn dan de verschillen. En om van daaruit ook, verankerd aan dezelfde Rots, te zoeken naar mogelijkheden om in te spelen op wat er in de wereld rondom aan de hand is.

vrijdag 27 september 2013

…. zowel dominees als dominees .....



En God heeft zowel dominees als dominees gegeven,
zowel dominees als dominees en dominees
om de leden der kerk geestelijk te verzorgen
tot instandhouding van de kerk.
De interpretatie van Ef. 4:11 en 12 volgens veel kerken en leden van kerken.

U kent de situatie wel: een ziek en/of oud gemeentelid klaagt dat er nooit iemand van de kerk komt. Maar, zeggen de buren, wij komen hier toch bijna iedere week. En u vertelde dat er ook regelmatig iemand langskomt van de HVD*.  En de ouderling is toch vorige maand ook nog op bezoek geweest. Jawel, is het antwoord, maar de dominee komt nooit.
Ondanks alle nadruk die we vanuit de Schrift , de Reformatie en de Reformatoren  hebben meegekregen op het priesterschap van alle gelovigen, en ondanks alle nadruk die er vandaag de dag in ‘gemeenteopbouw-kringen’ wordt gelegd op de gemeente als het lichaam van Christus, zijn en blijven we toch hardnekkig een domineeskerk: pas als de dominee langs geweest is, is de kerk op bezoek geweest. En het zijn niet alleen ouderen die zo denken, en vanuit deze gedachte handelen.
Voor velen heb je in de plaatselijke kerk eerst de dominee, dan een hele poos niks, dan de ouderling, dan weer even niks, en dan de diaken. Onderaan de hiërarchie komt dan de gewone gelovige, die we nog net geen ‘leek’ zijn gaan noemen.

Maar wie goed heeft opgelet toen het de afgelopen weken in de dienst over 1 Kor. 12 ging, of wie de moeite neemt even na te kijken wat er nu echt in Ef. 4:11 en 12 staat, weet dat Paulus een andere opvatting over de gemeente had. De gemeente is het lichaam van Christus, en ieder lid is een lichaamsdeel, een ‘ledemaat’ (daar komt het woord ‘lid’ vandaan). Eén lid; niet meer en niet minder. Ook de diaken en de ouderling niet, en zelfs niet de dominee. En niemand hoeft zich méér, en niemand hoeft zich minder te voelen; ieder hoeft slechts datgene te doen waarvoor hij of zij de gaven heeft ontvangen.
Als het gaat over gemeenteopbouw wordt er nog wel eens onderscheid gemaakt tussen het verzorgingsambt (de predikant en de ouderling zorgen dat de gemeenteleden ‘geestelijk verzorgd’ worden) en het participatiemodel: ieder doet, naar de hem of haar geschonken gaven (dat wel!) zijn taak.
En de ambtsdragers: die rusten toe. Dat Griekse woord in Ef. 4:12 betekent: gereed maken om te beantwoorden aan het doel waartoe iets of iemand gesteld is. Zeelieden maken een (zeil-)schip gereed om uit te varen, een leger oefent om gereed te zijn voor de strijd, doktoren spalken een been of arm om ervoor te zorgen dat het straks weer goed kan functioneren. Zo zijn de ‘ambtsdragers’ die Paulus noemt (apostelen, profeten, evangelisten, herders, leraars; wie heeft verzonnen dat die laatste twee altijd in dezelfde persoon verenigd moeten zijn?) er om de leden van het lichaam hun taak goed te laten vervullen, opdat het hele lichaam functioneert en opgebouwd wordt.

Al zouden we het (tegen de bijbelse voorschriften in) willen: door de (financiële) nood gedwongen zal de kerk geen verzorgingskerk kunnen blijven. Dat betekent dat ze er alleen kan blijven als ze veel meer dan nu het geval is, een kerk wordt waar ieder lid zijn of haar gaven gebruikt ten dienste van het hele lichaam (en het lichaam er weer wil zijn ten dienste van de wereld om haar heen, maar dat is nog weer een ander verhaal). Hoe u ook denkt over het ambt en de vraag wie daarvoor in aanmerking komt: noch in de Bijbel noch in de belijdenis noch in de kerkorde wordt het aan iemand, van welke leeftijd of geslacht dan ook, verboden anderen te bezoeken, met hen over het evangelie te spreken, hen te bemoedigen, vermanen, troosten en met hen uit de Bijbel te lezen en/of te bidden. Om dat (weer) te ontdekken, is niet alleen nodig met het oog op de financiën; het is vooral nodig om de kerk weer te laten functioneren zoals God heeft bedoeld: als lichaam van Christus.

·   * De Hervormde Vrouwendienst; de naam is inmiddels gewijzigd in PCD, Protestantse Contactdienst. 

     Meditatie in het kerkblad Hervormd Dordrecht, nr. 23 d.d. 12 november 1998






·          

“Ik bid en blijf lid”-Actie



Minstens  drie keer per jaar ontmoeten de ledenraadsleden, als vertegenwoordigers van alle leden van de Evangelische Omroep, elkaar én de directie.  In die bijeenkomsten gaat het er niet soft aan toe, maar worden stevige discussies gevoerd over de gang van zaken binnen de EO. Ledenraadsleden brengen hun zorgen over programma’s of over uitlatingen van programmamakers in heldere Hollandse taal op tafel.
Maar telkens raken wij ook weer onder de indruk van de moed, het doorzettingsvermogen, de creativiteit en de liefde voor God en mensen die we opmerken bij directieleden, programmamakers en andere medewerkers van de EO. Want het is geen kleinigheid om te voldoen aan de eisen die de overheid stelt (anders blijf je geen publieke omroepvereniging), die de netmanager stelt (want anders wordt je programma niet geplaatst), die de ‘doelgroep’ stelt (anders wordt die niet bereikt) en ook nog binnen de grenzen te blijven die je voor jezelf kunt verantwoorden. Dat is aanmerkelijk minder eenvoudig dan een christelijk blad of christelijke boeken uitgeven of een radiozender ‘runnen’ die speciaal is bedoeld voor christenen.

We zijn dankbaar voor iedereen die blijkt geeft van betrokkenheid bij het werk van de EO en daarvoor bidt. Maar de actie die nu wordt gevoerd laat ons inziens zien dat je datgene wat wel het sterkste wapen van de christen wordt genoemd – het gebed – ook als dolk in de rug kunt gebruiken: alsof God aan jouw kant staat en het vooral de ander is die gebed nodig heeft. Naar wij hopen en verwachten ongewild, maar toch ….

Wij zouden graag zien dat de initiatiefnemers van de actie ‘Ik bid en blijf lid’ zich wat duidelijker rekenschap geven van de opgave waarvoor de mensen bij de EO staan; van het feit ook dat er het een en ander is veranderd sinds de EO werd opgericht. En dat het dilemma dus vaak is: zoeken we deze grens op, met het risico dat we er overheen gaan, of blijven we veilig binnen de marges en laten we de echte ‘verloren zonen’ – die vaak geen enkel besef meer hebben van zoiets als een vaderhuis – maar rustig zitten waar ze zitten. Soms komen programmamakers, directieleden en/of leden van de Raad van Toezicht en Ledenraad tot de conclusie dat een programma niet gemaakt had moeten worden. Maar dat risico loop je alleen als je in beweging bent, op zoek naar die verloren zonen. Want, het is geen bijbeltekst maar daarom nog wel waar: de enige manier om kritiek te ontgaan is niets te zeggen, niets  te doen en niets te zijn.

Het verhaal van de actiegroep is onzuiver. Ze grijpt missionaire programma’s die tot controverses leidden aan voor haar kritiek op het EO-beleid. Tegelijkertijd beweert ze dat de EO geworden is tot een “weinigzeggende omroep met een christelijk sausje”, een omroep die geen boodschap voor de wereld meer heeft. Deze argumenten gaan niet samen. Het gemakkelijke verhaal van de “vervlakking” van de EO past niet bij de kern van de kritiek en doet bovenal geen recht aan de motieven van de programmamakers. Het is uitstekend om te discussiëren over de juiste missionaire stijl (dat doet de Ledenraad ook), maar de discussie moet zuiver blijven.

Wij hopen dat alle christenen die het ‘eeuwig wel en wee’ van hun landgenoten ter harte gaat, lid zullen blijven  of (weer) zullen worden van de EO, dat ze vooral ook zullen volharden in het gebed  voor iedereen die erbij betrokken is (zoals we ook doen in de bijeenkomsten van de Ledenraad; zoals in de loop van de week ook voortdurend gebeurt in het EO-gebouw). We hopen ook dat ze goed zullen luisteren wanneer de directieleden of programmamakers uitleggen waarom ze een programma maken en wie ze daar bij betrekken. Zelfs als het om een verloren zoon gaat die in hun ogen wel heel erg ver van huis is * .

* De actie Ik bid en blijf lid richtte zich, blijkens een persbericht,  tegen een "programmaserie met zanger Gordon als de zoveelste provocatie in de richting van de grondslag en de achterban van de omroep, na diverse eerdere incidenten."

Deze ingezonden brief schreef en verstuurde ik aan het Reformatorisch Dagblad samen met mede-EO Ledenraadslid Gert-Jan Huisman in het voorjaar van 2010 (het is mij niet bekend of de brief ook geplaatst is). 
 

Over preken, zingen en praktische oecumene



Het is de afgelopen jaren* gelukt een nieuwe bijbelvertaling (dé Nieuwe Bijbelvertaling) uit te geven waaraan mensen meewerkten met een heel verschillende geloofsovertuiging; naast joden en rooms-katholieken ook doopsgezinde -,  remonstrantse- , evangelische,  pinkster- ,  hervormde en diverse soorten gereformeerde protestanten.  In theologische discussies  -  dus met betrekking tot de vraag hoe de bijbel die ze samen gemaakt hadden, uitgelegd moest worden - stonden  ze waarschijnlijk mijlenver uit elkaar en toch kwam de gemeenschappelijke vertaling er. Nu kom ik in het ND van afgelopen zaterdag (20 oktober) twee artikelen tegen die bij mij de vraag doen rijzen of zoiets ook mogelijk is op ander terreinen. Noem het maar praktische oecumene. 

Preken
Op pagina 2, de kerknieuwspagina, wordt een samenvatting gegeven van een artikel van prof. Dr. A. Baars in De Wekker onder de kop Tekstkeuze. Ik herken de behoefte van Baars aan een ‘leidraad’, maar ook de bezwaren tegen de huidige roosters. Inderdaad; iedere drie jaar dezelfde tekstgedeelten, waarbij dan  soms ook weer heel selectief gewinkeld is in Bijbelboeken. Wat bijvoorbeeld te denken van het rooster De eerste dag; dat gaf voor 7 januari j.l. als evangelielezing Luc 3:15-16 en 21-22. Dat men de verzen 19 en 20 er tussenuit haalt, is nog te begrijpen, maar waarom vers 17 en 18 (over de wan en het kaf in het onblusbare vuur) sneuvelde, is me een raadsel. Of heeft het te maken met eenzelfde keuze als bij de lezing van sommige profetenboeken: wel het zoet maar niet het zuur; wel de heilsprofetieën maar niet die enge dreigende taal die ertussen staat? Toen ik begon te preken, heb ik me regelmatig afgevraagd wat het verband was tussen de oud – en de nieuwtestamentische lezing op het rooster. Tot ik ontdekte dat dat er niet was; het gaat gewoon om twee losse roosters die naast elkaar zijn gezet.
Is het niet mogelijk, zo vraag ik me af, met dezelfde ‘kerkelijke breedte’ als bij de NBV,  te komen tot een leesrooster waarin de hele bijbel aan de orde komt. Dat kan dan uiteraard niet in drie jaar; daar is minimaal 7 jaar voor nodig, waarschijnlijk 10 of 12. Ieder jaar kan een deel van een evangelie aan de orde komen, maar ook een stuk uit de brieven en de verschillende delen van het Oude Testament. Als ik me niet vergis, gaat het leesrooster van het NBG ook de hele bijbel door; het ‘preekrooster’ zou aan het leesrooster aan gepast kunnen worden, of andersom. Bij het samenstellen van het rooster zouden bestaande roosters en het kerkelijk jaar zoveel mogelijk gerespecteerd  kunnen worden.

Zingen
Verderop in de krant, op pagina 11, gaat het over het nieuwe liedboek van de PKN dat er in 2012 zou moeten zijn. Ik denk dat je hele grote vragen kunt stellen bij de intenties van de kerk en de kerkorde:  met dit project: het bevorderen “van de eenheid in de kerk door het aanbieden van een of meer psalm- en gezangboeken”. Iedereen zal er iets van z’n gading in vinden, maar heel velen zullen ook te weinig vinden van de liederen waar zij de voorkeur aan geven. Ik verwacht dan ook niet dat gemeenten hun 2e bundel (of dat nu de Randstadbundel, Taizé of de Evangelische Liedbundel is) de deur uit zullen doen als dit liedboek klaar is; daarnaast zal er bij bepaalde gelegenheden uit nog weer een andere bundel gezongen blijven worden, vanaf een kopietje of van de muur.   In onze gemeente hebben we, naast de 150 psalmen,  al 1.000 gezangen en liederen  (491 in het Liedboek voor de Kerken en 509 in de Evangelische Liedbundel). Maar toen ik de afgelopen maanden Ezechiël doorpreekte ( 48 hoofdstukken lang ), vond ik in de registers van de genoemde bundels slechts een handvol liederen. Misschien biedt Troost in zo’n geval uitkomst, denk je dan, maar die hebben we dan weer even niet bij de hand.
Is het niet mogelijk, denk ik dan verder, om naast dit nieuwe liedboek - want ik begrijp dat het voor sommigen erg belangrijk is dat die papieren versie er ook komt – een site te maken met ‘alles’ wat er in kerken en gemeenten gezongen wordt: oude en nieuwe psalmen, oude en nieuwe gezangen, Troost, Oosterhuis, Johannes de Heer, Opwekking, Alles wordt nieuw, het hele (kinder-)repertoire van Elly & Rikkert enz. Gemeenten kunnen dan een abonnement nemen en verder per gezongen lied betalen; is de kwestie van de rechten ook gelijk goed geregeld.
Dat betekent dan: zingen van de muur. Maar ook nu al gebeurt dat in toenemende mate, en niet alleen in evangelische gemeenten. In 2012 (maar het zal wel 2015 worden, of 2017) zal internet waarschijnlijk nog veel meer mogelijkheden bieden en het zou dom zijn daar nu niet al vast rekening mee te houden (misschien moet de begeleiding van de liederen ook wel beschikbaar zijn, met een dreigend tekort aan organisten in het vooruitzicht).

Zomaar wat ideeën  die al langer mij leefden; gratis en geheel vrijblijvend aangeboden, in de hoop dat ze ergens worden opgepakt.

* In 2004 als  ingezonden artikel geplaatst in het Nederlands Dagblad.