vrijdag 15 november 2013

Kerst ontmythologiseerd




Zover als de christenen die Kerst helemaal willen afschaffen – vanwege z’n heidense wortels en/of vanwege alle toeters en (jengelende) bellen die er omheen zijn gehangen - wil ik niet gaan. Maar ik snap ze wel heel goed. En dan heb ik het niet over alles wat er buiten de kerk met het feest gebeurt; daar hebben we hard en lang genoeg op afgegeven. 
Maar in de kerk kunnen we er ook wat van! Soms met hele goede, vrome motieven. Er is  ontzettend veel binnengedrongen dat er niet thuis hoort; via kinderbijbels, zondagsschool- en kleuterjuffen en zelfs via synodaal goedgekeurde gezangen. Het dieptepunt was, wat mij betreft, het moment dat ik mezelf in een  een kerstnachtdienst hoorde zingen over een lasershow in Bethlehem (in een lied dat terecht het Liedboek en de Evangelische liedbundel niet heeft gehaald: De herdertjes lagen bij nachte,  Johannes de Heer 609, vers 2).
Tijd dus voor een ontmythologisering. En dan heb ik het niet over een ontkenning van de maagdelijke geboorte – daar spreekt de bijbel weer heel duidelijk wel over- maar over al die andere aangroei.

Ik wil u, alvorens de adventstijd aanbreekt, graag in het kort onderwijzen over alle zaken die we onze kerstvieringen hebben binnengesmokkeld, maar daar krachtens het onfeilbare Woord van onze God niet thuishoren; pakt u er Matteüs 2 en Lucas 2 maar bij. Misschien wilt u het helemaal niet weten, maar ik ga het wel opschrijven; kijk maar of u er wat mee doet.

  • Jozef en Maria hebben niet alle Bethlehemse herbergen of nachtverblijven afgesjouwd voor ze onderdak vonden; er was er maar één.
  • Nergens in het kerstverhaal wordt van een stal gesproken; Jezus kan ook in een grot geboren zijn. Of  in de open lucht, op de binnenplaats van een nachtverblijf voor karavanen ; dan horen er geen os en ezel bij het jonge gezin, maar kamelen. (Over de os en ezel, in het bargoens het schorremorrie, kun je trouwens wel een hele bijbelse (kerst-)preek maken, op grond van Jesaja 1:3. Maar dat tussen haakjes). 
  • De herders waren geen herdertjes, maar ruwe bonken die veelal met de nek werden aangekeken.
  • Ze lagen hoogstwaarschijnlijk ook niet ‘midden in de winternacht’ in het veld; dan is het ook in Israel veel te koud.  ‘Down under’ zitten ze er dichterbij als ze Kerst vieren op het strand.
  • De engelen vormden niet een koor  maar een leger.
  • Ze zongen ook niet, maar spraken of riepen  (zoals in alle vertalingen staat); misschien is ‘scandeerden’ de beste vertaling.
  • De herders vertrokken niet weer na verloop van tijd om plaats te maken voor de bezoekers uit ‘het oosten’; die arriveerden waarschijnlijk pas na een jaar, of nog later (daarom brengt Herodes, met een veilige marge, alle kinderen tot twee jaar om).
  • Jozef, Maria en Jezus woonden toen in een huis.
  • Er wordt niets gezegd over het aantal bezoekers. Het kunnen er twee geweest zijn, maar ook 35.
  • Het waren geen koningen, ook geen gewone ‘wijzen’, maar magiërs (magooi in het grieks).  Waarschijnlijk moeten we denken aan een kruising tussen astronomen (dat zijn wetenschappers) en astrologen (dat zijn mensen die verboden occulte praktijken praktiseerden die in het Oude Testament als ‘gruwelen’ worden bestempeld).
  • Het is best mogelijk dat Jozef en Maria een ezeltje hebben gekocht om naar Egypte te vluchten toen zij van die kostbare geschenken hadden gekregen van de magiërs, maar er staat niks over in de bijbel.

Waarom we dan toch maar door moeten gaan met Kerst vieren? Omdat er waarachtig wel wat te vieren valt, ook – of: juist- zonder alle romantische poespas die we het verhaal hebben binnengehaald. Het Woord is vlees geworden; God overbrugt zelf de kloof die er is gekomen tussen Hem en ons. Misschien wat minder verkleinwoorden en wat meer Fillipenzen 2.

En ook omdat Kerst ongekende mogelijkheden biedt omdat er dan mensen ‘onder het gehoor’ komen die dat de rest van het jaar nauwelijks of nooit doen. En juist ten behoeve van  hen is het voor vertellers en verkondigers  belangrijk om in een paar verstaanbare woorden door te dringen tot de kern. Misschien wilt u speciaal rond Kerst bidden voor die vertellers en verkondigers bidden, en voor hun gehoor.

In iets verkorte vorm als PS  geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 4 , nummer 22,  d.d. 315 november 2013, p. 36.

donderdag 7 november 2013

Tuitjehorn en naastenliefde





Ineens was vorige maand  Tuitjehorn (gemeente Schagen, Noord Holland, ruim 3.000 inwoners) volop in het nieuws. Een huisarts aldaar diende een terminale patiënt 100x teveel morfine en nog een royale hoeveelheid slaapmedicatie toe, waarop deze binnen een half uur overleed. Toen de huisarts in de auto dit nieuws hoorde, reageerde hij met een high five richting zijn collega-in-opleiding, maar hij vroeg haar wel hier niet met haar begeleider op de universiteit over te praten. Dat deed ze wel, omdat ze vond dat hier grenzen ver overschreden waren. Het gevolg was dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg en het Openbaar Ministerie werden ingeschakeld, de huisarts werd verhoord en geschorst. Daarop maakte die een einde aan zijn leven. Ontzettend tragisch, maar ook ver over de streep. Zoiets mag zelfs in Nederland niet.

De commotie was behoorlijk groot, maar we zullen nooit weten wat de rechter hier nou van vond. Want als een ‘verdachte’ is overleden, stopt het onderzoek en komt er geen proces.
Eerder die week oordeelde rechtbank in Zutphen dat een 71-jarige man uit Bennekom schuldig was aan het doden van zijn 99-jarige moeder, maar legde geen straf op omdat de man gehandeld zou hebben uit naastenliefde. En dan snap ik het even niet meer.

De 99-jarige moeder was weliswaar oud, maar er was  – voor zover ik begrijp – noch  sprake van uitzichtloos noch van  ondraaglijk lijden. De patiënt in Tuitjehorn leed wel pijn, was in ieder geval erg benauwd. En hij was terminaal, hij zou gaan sterven. Dan had de huisarts nog de plicht om zorgvuldig te handelen; er had een euthanasieverzoek moeten zijn, hij had een collega moeten raadplegen, maar dan had hij keurig volgens het Nederlandse (wet-)boekje gehandeld. Daar kun je grote bezwaren tegen, of moeite mee hebben – en dat heb ik in alle gevallen waarin mensen zelf gaan beslissen over leven of dood – maar er was eerder  sprake van ondraaglijk en uitzichtloos lijden dan bij de 99-jarige moeder. Maar de zoon handelde uit naastenliefde en de huisarts leeft voort als ‘Dokter Dood’.

En dan blijft de vraag: wat is naastenliefde; het christelijke begrip dat de rechter aanvoerde in het vonnis als motief om de schuldige verdachte  geen straf op te leggen. In de bijbel kennen we het begrip vooral uit het ‘grote gebod': God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf. En uit de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, die een antwoord is op een (strik-)vraag: maar wie is mijn naaste; een vraag die Jezus aan hei eind omdraait als hij vraagt: wie is de naaste geweest of geworden (Lukas 10:25-37).

Rechtvaardigt een goede intentie een foute daad. Een argument als ‘ik bedoelde het goed’ wordt nogal eens aangevoerd als excuus voor iets wat fout afliep of fout werd gedaan. Maar soms moet je iets niet alleen goed bedoelen, maar ook goed doen.

En als naastenliefde een argument wordt om geen straf op te leggen, hoe zit het dat met de beruchte corrigerende tik. Die wordt nogal eens uit frustratie of in drift uitgedeeld, en dat is een goed motief om er zeer spaarzamelijk mee om te gaan. Maar als ouders voor de rechtbank aanvoeren dat ze werkelijk hun kind uit liefde een paar  tikken hebben verkocht, is de kans groot dat ze er met een veroordeling, maar zonder straf afkomen, heel klein. Terwijl het, volgens het Woord van Hem die ons leerde de naaste lief te hebben, van wijsheid getuigt het te laten gebeuren (Spreuken 12:1, 13:1, 19:25); Hijzelf tuchtig soms uit liefde (Hebr. 12:6, 7, Op. 3:19).

Als de Samaritaan uit de gelijkenis de man die was overvallen nu uit mededogen uit z’n lijden had verlost – omdat het nog een lange, pijnlijke weg was naar de herberg en/of omdat hij naar alle waarschijnlijkheid altijd een trauma en een handicap zou overhouden aan het avontuur, en dus niet uit gemakzucht - , zou Jezus dan ook hebben geoordeeld dat hij de naaste was geweest of geworden van de gewonde man. Ik weet het niet, maar vermoed eigenlijk van niet.

dinsdag 15 oktober 2013

Hervormd & evangelisch



Vorige maand vond ik op het lectuurrek van onze wijkgemeente twee exemplaren van het blad De Waarheidsvriend. Voor wie het niet weet: dat is de ‘wekelijkse uitgave van de Gereformeerde Bond’; vroeger in de Nederlandse Hervormde Kerk, nu in de Protestantse Kerk in Nederland.
Nu ligt er op dat rek  wel vaker ongevraagd – en soms ongewenst – reclamedrukwerk, maar hier zit wat anders achter, vermoed ik. Het ging namelijk om het nummer van 7 maart 2013, met het thema dat ook boven deze blog staat: Hervormd & Evangelisch. ‘De bond’- zoals deze modaliteit in de Protestantse kerk kortheidshalve wordt aangeduid – heeft maar liefst 18.000 exemplaren extra laten drukken van dit nummer, dat ook nog eens ‘extra dikke uitgave’ is. Omdat onze wijkgemeente zich wel eens gekscherend ‘hervormd op evangelische grondslag’ noemt – naar analogie van de bonders, die  zichzelf  vaak aanduiden als ‘hervormd op gereformeerde grondslag’ - heeft het wellicht iemand goed gedacht ons twee van de 18.000 extra exemplaren te schenken. Dank daarvoor!

Maar ondertussen wel jammer dat het anoniem gebeurde. Want ik ben zo benieuwd naar de motieven van de goede gever. Leek het hem of haar wel interessante kost voor ons om te zien hoe er in de bond over ons wordt gedacht, of wilde hij of zij ons ernstig waarschuwen voor de koers die we varen. Dat was namelijk wel heel vaak de teneur van wat geschreven werd over evangelicals in de bond en verwante ‘bevindelijk gereformeerde’ kerken. Stadsgenoot dr. Fred van Lieburg kan het zich ook nog herinneren; in een column in het blad schrijft hij:  ”… zelfs op de middelbare leerschool van interkerkelijkheid stonden ‘evangelischen’ aan de kant van de sekten en stromingen of het juichend christendom. Ze miskenden de belijdenis, de bekering, het verbond, de ambten en wat al meer.” Ik heb ze zelf ook wel onder ogen gehad: (catechisatie-)boekjes waarin de Pinkstergemeenten, soms ook de Baptisten en de mensen van het Zoeklicht, vrolijk tussen de Mormonen en Jehovagetuigen werden geschaard; soms zelfs tussen groepen die verwant waren aan de oosterse godsdiensten.
25 jaar gelden besteedde De Waarheidsvriend ook aandacht aan het onderwerp; toen omdat veel jongeren overstapten naar een evangelische gemeente, nu vooral omdat veel mensen die ‘evangelische invloeden’ ondergingen daarmee in de kerk blijven. Tot ‘overgedoopte’ ambtsdragers aan toe. Als het om de beoordeling gaat, constateert Van Lieburg: ”De scherpte is er misschien wat af, maar de kritische beeldvorming leeft voort.”

Nu kan ik me best wat voorstellen bij het oordeel  van ds. P. Nobel uit Waddinxveel. Hij bezocht de baptistengemeente Ichthus in zijn woonplaats en hoorde daar een goede preek over Prediker 1 (“zeer inhoudelijk en gedegen”) maar knapte af op de “theologische oppervlakkigheid in de praatjes van de aanbiddingleidster en de leidinggevende oudste” (in evangelische gemeenten neemt met de vermaning uit 1 Kor. 14 dat ‘ieder iets’ heeft wat serieuzer dan in de traditionele kerken; een prediker preekt alleen maar, anderen gaan voor in de andere delen van de dienst. Met, inderdaad,  soms tot gevolg dat er weinig samenhang is tussen de verschillende delen).
In alle jaren dat ik contacten heb met zusters en broeders uit evangelische gemeenten heb ik ook meer dan eens  last gehad van kromme tenen. Alle vooroordelen die er tegen evangelischen bestaan heb ik wel een keer bevestigd gezien. En ik heb ook ontdekt dat het niet alles goud is wat er blinkt en dat evangelische gemeenten soms worstelen met problemen waar we in de traditionele kerken veertig jaar geleden mee te maken hadden, en soms nog hebben: jongelui die zitten te donderjagen op de achterste rij, bijvoorbeeld, of gemeenteleden die heel gemakkelijk een paar weken het bezoek aan de dienst overslaan. En ook in dit segment van de Christus’ kerk  gaan mensen scheiden of komen uit de kast als homo en moet een broederraad daar wat mee.
Maar wat geldt voor evangelischen, is ook van toepassing bij  reformatorische kerken, en bij de ‘midden-orthodoxen’ -om maar even bij de hervormde terminologie te blijven -: je kunt alle vooroordelen wel ergens bevestigd krijgen. En gelukkig blijkt uit het genoemde exemplaar van de Waarheidsvriend dat dat besef er ook bij de bond is.

Waarom ik me verwant voel met de evangelische beweging binnen de PKN  is het feit dat men de goede elementen uit de eigen kerk wil verrijken met die uit de wereldwijde evangelische beweging. Daartoe is ooit het Evangelisch Werkverband binnen de Protestantse Kerk in het leven geroepen.  Predikanten vroegen zich af het echt nodig was om te kiezen: de zaken die ze in hun christelijke studentenvereniging of in organisaties als Youth for Christ hadden leren kennen en waarderen loslaten óf zich aansluiten bij een evangelische gemeente. Met de oprichting van het EW koos men voor een – wat mij betreft: uiterst heilzame – derde weg.

Evangelische delen met de  Reformatoren de sola’s, met de mensen van de Nadere reformatie de nadruk op een persoonlijk geloof en geloofsbeleving en met de mensen van het Reveil de nadruk op de missionaire taak van alle gelovigen. En, misschien moet je daaraan toevoegen: ze hebben tegenwoordig vrij breed te overtuiging dat de gaven van de Heilige Geest (de charismata) ook vandaag nog geschonken worden en dat het niet aan de Heilige Geest ligt dat we daar in de Westerse kerk zo weinig van merken. Een les die ze dankbaar leerden van de Pinkster- en Volle Evangeliegemeente.
Youth for Christ heeft als motto: Geared to the Times, Anchored to the Rock. Dat is, wat mij betreft, evangelisch op z’n best: je houdt vast aan het fundament, maar staat en gaat daarmee volop de wereld in om  te delen wat je zelf hebt ontvangen.
  
Drs. P.J. Vergunst, secretaris van de bond en hoofdredacteur van de Waarheidsvriend, schrijft in zijn bijdrage aan dit nummer dat het niet wil inzoomen op de theologische overeenkomsten en verschillen tussen gereformeerden en evangelischen, maar “kerkenraden en gemeenteleden wel handvatten bieden voor het (geloofs)gesprek binnen de gemeente, voor het formuleren van beleid (…) vanuit het besef dat we inde christelijke gemeente aan elkaar gegeven zijn en ieder geroepen is haar met de eigen gaven te dienen, tot haar opbouw”. Goeie zaak; alleen blijft het dan hopelijk niet bij een binnenkerkelijk gesprek, maar probeert men ook eens te ontdekken wie die evangelischen – in hun eigen kerk en/of daarbuiten – nu werkelijk zijn. Om misschien wel tot de ontdekking te komen dat de overeenkomsten veel groter te zijn dan de verschillen. En om van daaruit ook, verankerd aan dezelfde Rots, te zoeken naar mogelijkheden om in te spelen op wat er in de wereld rondom aan de hand is.