maandag 30 december 2013

Goede voornemens en goede doelen



Ik weet niet of christelijke instellingen ook aan goede voornemens doen, maar voor het geval dat zo is, weet ik er nog een: stoppen met het verpakken van uitgaande post in plastic zakjes.

Het hele jaar door krijg ik post van diverse organisaties, meestal van christelijke huize, en veelal ‘goede doelen’. Die laatsten sturen steevast een acceptgirokaart mee. Van sommigen krijg ik twee keer per jaar post, van anderen twaalf of meer. Maar bijna allemaal sturen ze in de tweede of derde week van december een exemplaar van hun periodiek, met daarbij een goede wens voor het nieuwe jaar én de onvermijdelijke  acceptgirokaart. Helemaal niet erg: als ik dat niet wil, had ik ze nooit mijn naam en adres moeten geven en/of wat aan hen moeten overmaken.

Maar kennelijk vinden al die organisaties het nodig  om het geheel dan in plastic te verpakken. En zo kan het gebeuren dat ik medio december op één dag een stuk of zeven plastic zakken van de mat raap. Op sommigen van die zakken staat nadrukkelijk vermeld dat het heel erg milieuvriendelijk plastic is, klimaatneutraal enzo. Nu heb ik weinig verstand van plastic, maar volgens mij hoeft dat ook niet om te snappen dat er geen milieuvriendelijker verpakking is dan géén verpakking. En dat kán gewoon. De enkele keer dat mijn omroepblad me zonder ‘meeverpakt‘ reclamedrukwerk wordt toegezonden, staan mijn naam en adres op de achterzijde geprint en wordt het onverpakte blad net zo keurig bezorgd als al die andere weken, als het blad en de folders in plastic worden afgeleverd.

Dus adverteerders kunnen ook wat doen. Als we nou eens afspreken dat zij hun boodschap gewoon in het blad laten opnemen, desnoods laten meenieten met het blad waarin ze willen adverteren. En als de organisaties datzelfde  dan met hun brieven – inclusief acceptgirokaart – doen, hebben we met elkaar in het nieuwe jaar een flinke berg plastic afval bespaard. 

Op 31 december 2013  als  ingezonden artikel geplaatst in het Nederlands Dagblad.


woensdag 11 december 2013

Piet en Madiba



Het heerlijk avondje is weer voorbij en misschien is dat het goede moment om een poging te doen als ouders of ouderen de kwestie van de huidskleur van het personeel van Zijne  Hoogwaardige Excellentie Sint Nicolaas op te lossen. Want de critici hebben natuurlijk wel een punt. Alleen al de  woorden die heel veel blanke kindertjes, en soms ook hun ouders, vaak gedachteloos zongen of zingen: Ook (sic!) al ben ik zwart als roet, ik meen het wel goed. Dat kan echt niet meer! Net zo min als we met goed fatsoen kunnen (blijven) zingen dat ons ‘neerlands bloed’ vrij is van ‘vreemde smetten’. Maar ook een personeelsbeleid waarbij mensen met een andere huidkleur dan bruin of zwart worden uitgesloten, is zo’n overdadige vorm van  positieve discriminatie dat het naar racisme neigt.

In de week waarin de hele wereld stil staat bij het overlijden van Nelson Mandela zou het moeten lukken om in  ‘zijn geest’, een oplossing te vinden.  Dus zonder dat we elkaar (nog langer) de tent uitvechten hierover, en zonder nog meer tere kinderzieltjes te beschadigen. Want Madiba, ook ‘zo zwart als roet’, meende het niet allen goed, hij deed het ook goed. Zo goed, dat postuum iedereen z’n vriendje is; wellicht Geert W. en consorten uitgezonderd. Het woord dat zijn handelen kenmerkte is 'verzoening'.

Hoe zou dat kunnen? Nou, misschien zo: ieder jaar dreigt er rond de komst van Sinterklaas een ramp, alwaar het Sinterklaasjournaal getrouw verslag van doet. Op het allerlaatste moment - als de boot al in zicht, of zelfs al aangemeerd is - komt er toch een eind-goed-al-goed oplossing. Geheel vrijblijvend en geheel gratis bied ik een scenario aan voor volgend jaar.

Door allerlei omstandigheden zijn er flink wat vacatures ontstaan in het personeelsbestand van Sint Nicolaas. Dus wordt er een advertentie gezet, waarin belangstellende gevraagd wordt te solliciteren naar een functie als Piet. Maar in het functieprofiel worden wel de nodige werkzoekenden uitgesloten. Zo moeten sollicitanten een zwarte of bruine huidskleur hebben, man zijn en lichamelijk kerngezond en goed getraind. Blanken, Aziaten en Indianen zijn dus uitgesloten, net als vrouwen en mensen ‘met een vlekje’. En die pikken dat niet; ze verzamelen handtekeningen, dienen een klacht in bij de Commissie Gelijke Behandeling en houden een demonstratie bij het Sinterklaashuis (dat, zoals bekend is,  zich in Dordrecht bevindt. )

Aanvankelijk is er veel verzet, zowel van Sint als van de Pieten. De traditie schrijft een zwarte Piet voor en op een traditie moet je zuinig zijn. Maar langzaam maar zeker dringt toch het besef door dat dit standpunt niet vol te houden is: de traditie kan waardevol zijn, maar mag nooit een keurslijf worden die discriminatie bevordert en verzoening in de weg staat. Daarom komt er uiteindelijk een nieuwe advertentie waarin ook anders-gekleurden, vrouwen en mensen die elders moeilijk plaatsbaar zijn vanwege een lichamelijk of verstandelijke beperking, uitgenodigd worden om te solliciteren. Nieuwe werknemers zijn gehouden om de kleurige bedrijfskleding te dragen, maar het is afgelopen met het verplichte verven: niet zwart, en al helemaal niet groen of blauw. Iedere huidkleur is goed, als ie maar echt is.

En zo snappen alle sinterklaasjournaal-kijkertjes hoe het komt dat er een anders-gekleurde Piet met de Sint mee komt naar school. De wereld gaan we er niet mee redden; het haalt het niet bij wat Nelson Mandela in Zuid-Afrika deed. Het is hooguit een kleine oefening in verzoening. Maar daar begint het mee, toch ….?

vrijdag 15 november 2013

Kerst ontmythologiseerd




Zover als de christenen die Kerst helemaal willen afschaffen – vanwege z’n heidense wortels en/of vanwege alle toeters en (jengelende) bellen die er omheen zijn gehangen - wil ik niet gaan. Maar ik snap ze wel heel goed. En dan heb ik het niet over alles wat er buiten de kerk met het feest gebeurt; daar hebben we hard en lang genoeg op afgegeven. 
Maar in de kerk kunnen we er ook wat van! Soms met hele goede, vrome motieven. Er is  ontzettend veel binnengedrongen dat er niet thuis hoort; via kinderbijbels, zondagsschool- en kleuterjuffen en zelfs via synodaal goedgekeurde gezangen. Het dieptepunt was, wat mij betreft, het moment dat ik mezelf in een  een kerstnachtdienst hoorde zingen over een lasershow in Bethlehem (in een lied dat terecht het Liedboek en de Evangelische liedbundel niet heeft gehaald: De herdertjes lagen bij nachte,  Johannes de Heer 609, vers 2).
Tijd dus voor een ontmythologisering. En dan heb ik het niet over een ontkenning van de maagdelijke geboorte – daar spreekt de bijbel weer heel duidelijk wel over- maar over al die andere aangroei.

Ik wil u, alvorens de adventstijd aanbreekt, graag in het kort onderwijzen over alle zaken die we onze kerstvieringen hebben binnengesmokkeld, maar daar krachtens het onfeilbare Woord van onze God niet thuishoren; pakt u er Matteüs 2 en Lucas 2 maar bij. Misschien wilt u het helemaal niet weten, maar ik ga het wel opschrijven; kijk maar of u er wat mee doet.

  • Jozef en Maria hebben niet alle Bethlehemse herbergen of nachtverblijven afgesjouwd voor ze onderdak vonden; er was er maar één.
  • Nergens in het kerstverhaal wordt van een stal gesproken; Jezus kan ook in een grot geboren zijn. Of  in de open lucht, op de binnenplaats van een nachtverblijf voor karavanen ; dan horen er geen os en ezel bij het jonge gezin, maar kamelen. (Over de os en ezel, in het bargoens het schorremorrie, kun je trouwens wel een hele bijbelse (kerst-)preek maken, op grond van Jesaja 1:3. Maar dat tussen haakjes). 
  • De herders waren geen herdertjes, maar ruwe bonken die veelal met de nek werden aangekeken.
  • Ze lagen hoogstwaarschijnlijk ook niet ‘midden in de winternacht’ in het veld; dan is het ook in Israel veel te koud.  ‘Down under’ zitten ze er dichterbij als ze Kerst vieren op het strand.
  • De engelen vormden niet een koor  maar een leger.
  • Ze zongen ook niet, maar spraken of riepen  (zoals in alle vertalingen staat); misschien is ‘scandeerden’ de beste vertaling.
  • De herders vertrokken niet weer na verloop van tijd om plaats te maken voor de bezoekers uit ‘het oosten’; die arriveerden waarschijnlijk pas na een jaar, of nog later (daarom brengt Herodes, met een veilige marge, alle kinderen tot twee jaar om).
  • Jozef, Maria en Jezus woonden toen in een huis.
  • Er wordt niets gezegd over het aantal bezoekers. Het kunnen er twee geweest zijn, maar ook 35.
  • Het waren geen koningen, ook geen gewone ‘wijzen’, maar magiërs (magooi in het grieks).  Waarschijnlijk moeten we denken aan een kruising tussen astronomen (dat zijn wetenschappers) en astrologen (dat zijn mensen die verboden occulte praktijken praktiseerden die in het Oude Testament als ‘gruwelen’ worden bestempeld).
  • Het is best mogelijk dat Jozef en Maria een ezeltje hebben gekocht om naar Egypte te vluchten toen zij van die kostbare geschenken hadden gekregen van de magiërs, maar er staat niks over in de bijbel.

Waarom we dan toch maar door moeten gaan met Kerst vieren? Omdat er waarachtig wel wat te vieren valt, ook – of: juist- zonder alle romantische poespas die we het verhaal hebben binnengehaald. Het Woord is vlees geworden; God overbrugt zelf de kloof die er is gekomen tussen Hem en ons. Misschien wat minder verkleinwoorden en wat meer Fillipenzen 2.

En ook omdat Kerst ongekende mogelijkheden biedt omdat er dan mensen ‘onder het gehoor’ komen die dat de rest van het jaar nauwelijks of nooit doen. En juist ten behoeve van  hen is het voor vertellers en verkondigers  belangrijk om in een paar verstaanbare woorden door te dringen tot de kern. Misschien wilt u speciaal rond Kerst bidden voor die vertellers en verkondigers bidden, en voor hun gehoor.

In iets verkorte vorm als PS  geplaatst in Kerk op Dordt jaargang 4 , nummer 22,  d.d. 315 november 2013, p. 36.

donderdag 7 november 2013

Tuitjehorn en naastenliefde





Ineens was vorige maand  Tuitjehorn (gemeente Schagen, Noord Holland, ruim 3.000 inwoners) volop in het nieuws. Een huisarts aldaar diende een terminale patiënt 100x teveel morfine en nog een royale hoeveelheid slaapmedicatie toe, waarop deze binnen een half uur overleed. Toen de huisarts in de auto dit nieuws hoorde, reageerde hij met een high five richting zijn collega-in-opleiding, maar hij vroeg haar wel hier niet met haar begeleider op de universiteit over te praten. Dat deed ze wel, omdat ze vond dat hier grenzen ver overschreden waren. Het gevolg was dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg en het Openbaar Ministerie werden ingeschakeld, de huisarts werd verhoord en geschorst. Daarop maakte die een einde aan zijn leven. Ontzettend tragisch, maar ook ver over de streep. Zoiets mag zelfs in Nederland niet.

De commotie was behoorlijk groot, maar we zullen nooit weten wat de rechter hier nou van vond. Want als een ‘verdachte’ is overleden, stopt het onderzoek en komt er geen proces.
Eerder die week oordeelde rechtbank in Zutphen dat een 71-jarige man uit Bennekom schuldig was aan het doden van zijn 99-jarige moeder, maar legde geen straf op omdat de man gehandeld zou hebben uit naastenliefde. En dan snap ik het even niet meer.

De 99-jarige moeder was weliswaar oud, maar er was  – voor zover ik begrijp – noch  sprake van uitzichtloos noch van  ondraaglijk lijden. De patiënt in Tuitjehorn leed wel pijn, was in ieder geval erg benauwd. En hij was terminaal, hij zou gaan sterven. Dan had de huisarts nog de plicht om zorgvuldig te handelen; er had een euthanasieverzoek moeten zijn, hij had een collega moeten raadplegen, maar dan had hij keurig volgens het Nederlandse (wet-)boekje gehandeld. Daar kun je grote bezwaren tegen, of moeite mee hebben – en dat heb ik in alle gevallen waarin mensen zelf gaan beslissen over leven of dood – maar er was eerder  sprake van ondraaglijk en uitzichtloos lijden dan bij de 99-jarige moeder. Maar de zoon handelde uit naastenliefde en de huisarts leeft voort als ‘Dokter Dood’.

En dan blijft de vraag: wat is naastenliefde; het christelijke begrip dat de rechter aanvoerde in het vonnis als motief om de schuldige verdachte  geen straf op te leggen. In de bijbel kennen we het begrip vooral uit het ‘grote gebod': God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf. En uit de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, die een antwoord is op een (strik-)vraag: maar wie is mijn naaste; een vraag die Jezus aan hei eind omdraait als hij vraagt: wie is de naaste geweest of geworden (Lukas 10:25-37).

Rechtvaardigt een goede intentie een foute daad. Een argument als ‘ik bedoelde het goed’ wordt nogal eens aangevoerd als excuus voor iets wat fout afliep of fout werd gedaan. Maar soms moet je iets niet alleen goed bedoelen, maar ook goed doen.

En als naastenliefde een argument wordt om geen straf op te leggen, hoe zit het dat met de beruchte corrigerende tik. Die wordt nogal eens uit frustratie of in drift uitgedeeld, en dat is een goed motief om er zeer spaarzamelijk mee om te gaan. Maar als ouders voor de rechtbank aanvoeren dat ze werkelijk hun kind uit liefde een paar  tikken hebben verkocht, is de kans groot dat ze er met een veroordeling, maar zonder straf afkomen, heel klein. Terwijl het, volgens het Woord van Hem die ons leerde de naaste lief te hebben, van wijsheid getuigt het te laten gebeuren (Spreuken 12:1, 13:1, 19:25); Hijzelf tuchtig soms uit liefde (Hebr. 12:6, 7, Op. 3:19).

Als de Samaritaan uit de gelijkenis de man die was overvallen nu uit mededogen uit z’n lijden had verlost – omdat het nog een lange, pijnlijke weg was naar de herberg en/of omdat hij naar alle waarschijnlijkheid altijd een trauma en een handicap zou overhouden aan het avontuur, en dus niet uit gemakzucht - , zou Jezus dan ook hebben geoordeeld dat hij de naaste was geweest of geworden van de gewonde man. Ik weet het niet, maar vermoed eigenlijk van niet.